Klachtonderdelen gegrond tegen de ambulant hulpverlener over het niet (h)erkennen van de grenzen van haar eigen expertise, het opstellen van een tussentijds verslag ten behoeve van een juridische procedure op verzoek van een ouder zonder daarover te communiceren met de ander, en het niet informeren over de wijze van verslaglegging. De maatregel van berisping wordt opgelegd.

Zaaknummer: 18.101T
Datum beslissing: 31 december 2018
Oordeel: klachtonderdeel I, II en VI ongegrond, klachtonderdeel III, IV en V gegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Klager, de vader van een zoon, heeft tegen een ambulant werker een klacht bestaand uit zes onderdelen ingediend. De ex-partner van klager heeft, vanwege de echtscheidingsproblematiek tussen hen, voor de zoon een aanvraag gedaan voor een bepaalde module. Beklaagde is de medewerker die deze module uitvoert. Klager dient, kort samengevat, de volgende klachtonderdelen in: de hulpverlening is gestart zonder toestemming van klager (klachtonderdeel I), partijdigheid (klachtonderdeel II), het regelen van een aangepaste verwijsbrief (klachtonderdeel III), het opstellen van een tussentijds verslag (klachtonderdeel IV), het niet informeren over de wijze van verslaglegging (klachtonderdeel V) en de afronding van de hulpverlening (klachtonderdeel VI). Klachtonderdelen III, IV en V verklaart het College gegrond.

Deze samenvatting gaat in op klachtonderdelen III en IV. Met betrekking tot klachtonderdeel III oordeelt het College dat beklaagde de grenzen van haar eigen expertise niet (h)erkend heeft vanwege het verzoek dat zij aan de huisarts gedaan heeft om de verwijsbrief ten behoeve van de hulpverlening voor de zoon te laten wijzigen, zodat zij de hulpverlening kon uitvoeren. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde onjuist gehandeld. Op het moment dat zij inzag had dat zij niet over de gevraagde expertise beschikte, had zij niet de huisarts om een aangepaste verwijsbrief moeten vragen, maar had zij de casus niet mogen aannemen. Ten aanzien van klachtonderdeel IV is het College van oordeel dat beklaagde op meerdere punten tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Beklaagde heeft op verzoek van de moeder een verslag opgesteld, welke door haar in een kortgeding procedure tussen de ouders is ingebracht. Het College neemt het beklaagde zeer kwalijk dat beklaagde direct aan het verzoek van de moeder heeft voldaan, zonder klager hierbij te betrekken. In het verslag is daarnaast een onderdeel van de hulpverlening, waarvoor klager geen toestemming verleend had, als zijnde een belangrijk punt beschreven. Tot slot heeft beklaagde erkend dat zij, in een telefoongesprek met klager, in eerste instantie ontkennend heeft geantwoord op zijn vraag of zij het tussentijdse verslag op verzoek van de moeder geschreven had. Het handelen ten aanzien van de drie gegronde klachtonderdelen levert volgens het College een schending op van artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode.

Gelet op de gegeven omstandigheden, het verwijtbaar handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen en gelet op de ernst van het handelen van beklaagde voor wat betreft klachtonderdeel IV, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.