Klachtonderdelen tegen de jeugdbeschermer over meerdere aspecten rondom de ondertoezichtstelling gegrond. De maatregel van voorwaardelijke schorsing wordt opgelegd. Het College neemt naast het verwijtbare handelen het gebrek aan reflectie en de geruime ervaring binnen de jeugdhulpverlening in overweging.

Zaaknummer: 18.123T
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: klachtonderdeel I deels gegrond; klachtonderdelen II t/m VII gegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster dient zeven klachtonderdelen in tegen de jeugdbeschermer die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De klachtonderdelen gaan samengevat over het volgende: het ontbreken van zowel een kennismakingsgesprek als gesprekken met de ouders, het niet innemen van een regulerende rol, het onterecht afgeven van een schriftelijke aanwijzing en het contact dat na het beëindigen van de ondertoezichtstelling met de ex-partner van klaagster is geweest.

Het College oordeelt dat beklaagde met betrekking tot alle klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Beklaagde heeft nagelaten de ouders te stimuleren tot het voeren van een gezamenlijk (kennismakings)gesprek (klachtonderdeel I). Gelet echter op het advies uit het NIFP rapport lag het op de weg van beklaagde om zich hiervoor in te spannen. Voorts heeft beklaagde onvoldoende een regulerende rol ingenomen in de e-mailcorrespondentie, waarin essentiële onderwerpen naar voren kwamen (klachtonderdelen II, V en VI). Aan klaagster is een schriftelijke aanwijzing afgegeven, terwijl onder de gegeven omstandigheden op de weg van beklaagde had gelegen om aan de kinderrechter te verzoeken om de vastgestelde (opbouw in de) zorgregeling te wijzigen (klachtonderdeel III). Tot slot is in bepaalde e-mailberichten de schijn van partijdigheid gewekt (klachtonderdeel IV) en heeft beklaagde, nadat haar formele betrokkenheid was geëindigd, meermaals met de vader per e-mail gecommuniceerd waarin zij zich positief uitliet over de opvoedsituatie bij de vader en zich (indirect) negatief uitliet over die bij klaagster (klachtonderdeel VII). Meerdere artikelen uit de Beroepscode zijn volgens het College geschonden. Daarnaast is sprake van een schending van een van de uitgangspunten van de ‘Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming’.

Het College legt aan beklaagde de maatregel van voorwaardelijke schorsing op en overweegt daartoe als volgt. Waarde wordt gehecht aan de wijze waarop een beklaagde reflecteert op haar handelen. Zowel in het verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde onvoldoende blijk gegeven in te zien dat zij met haar handelen in deze casus op meerdere punten ernstig tekortgeschoten is. Voorts neemt het College in overweging dat beklaagde geruime ervaring heeft binnen de jeugdhulpverlening, hetgeen maakt dat het verwijtbaar handelen haar zwaarder wordt aangerekend. Onder deze omstandigheden en gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van alle klachtonderdelen acht het College het passend en geboden dat beklaagde een supervisietraject volgt. Het College acht het aangewezen dat beklaagde middels gerichte sturing en intensieve begeleiding kan werken aan de bewustwording en het toepassen van haar beroepsnormen die behulpzaam worden geacht in de verdere uitoefening van haar werkzaamheden. Het College acht de volgende onderwerpen van belang voor het supervisietraject: ‘positie en positioneren als jeugdprofessional in het gedwongen kader’, ‘samenwerking met en tussen cliënten bestendigen’ en ‘meerzijdige partijdigheid’.