Klager stelt dat beklaagde – een gedragswetenschapper – haar werk niet heeft kunnen doen doordat de algemeen manager bepaalde dat de communicatie van klager met beklaagde via hem diende te lopen en doordat hij – de algemeen manager – de leiding in een gesprek met klager en beklaagde overnam. Beklaagde heeft volgens klager ten onrechte geen weerstand geboden aan dit verloop, waardoor hulpverlening aan klager en de kinderen niet is geboden.

Zaaknummer: 17.036Tc
Datum beslissing: 3 april 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

In de hoorzitting heeft klager verklaard dat de kern van zijn klacht er uit bestaat dat hij onvoldoende zicht heeft op de wijze en de mate waarin beklaagde zich voor klager en de kinderen heeft ingespannen in de aanloop naar en na een gesprek dat plaatsvond op 23 juni 2016. Na dat gesprek ontving klager een brief van de organisatie waar beklaagde werkzaam is, in c.c. naar beklaagde, waarin aan klager een verbod tot het hebben van contact met medewerkers van de organisatie wordt opgelegd. Klager vraagt zich af of beklaagde intern tegenspraak heeft geboden op dit contactverbod.

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij klager heeft uitgenodigd voor het gesprek om te inventariseren wat de organisatie nog voor klager zou kunnen betekenen. Beklaagde heeft het bezwaar dat klager maakte tegen de deelname van de algemeen manager aan het gesprek voorgelegd aan haar leidinggevende. Deze heeft echter bepaald dat aan het bezwaar niet tegemoet zou worden gekomen. Hoewel beklaagde om die reden voorzag dat het gesprek geen goed verloop zou kennen, heeft zij de prioriteit gelegd bij doorgang van het gesprek, in het belang van klager. Beklaagde heeft haar  zienswijze – die afweek van die van de algemeen manager – tijdens het gesprek bij de algemeen manager naar voren gebracht. Zij heeft hem tijdens het gesprek aangesproken op zijn gedrag. Beklaagde heeft ook nadien nog een keer gesproken met de algemeen manager en gezegd dat zij het niet eens was met de wijze waarop het gesprek was gevoerd. Beklaagde heeft zich voorts ingespannen dat een eindgesprek dat met klager door een collega van beklaagde zou worden gevoerd, alleen door deze collega met klager zou worden gevoerd, wat ook is gebeurd.

Klager heeft daarop verklaard dat hij zeer tevreden is over beklaagde en veel bewondering heeft voor de wijze waarop zij zich heeft ingezet voor hem en voor de kinderen en dat hij daarentegen zeer ontevreden is over het handelen van het management van de organisatie van beklaagde. Op voorstel van de voorzitter is de hoorzitting na de toelichting van klager en van beklaagde geschorst. Na hervatting heeft de voorzitter vastgesteld dat ter zitting is gebleken dat klager zich verenigt met het door beklaagde gevoerde verweer; dat het College overtuigd is door het verweer waardoor de klacht ongegrond is, en dat het College ook overigens geen feiten of omstandigheden heeft kunnen vaststellen die tot het oordeel moeten leiden dat beklaagde, bij het handelen jegens klager en de kinderen, in strijd met de voor haar geldende professionele standaard heeft gehandeld.