Klager verwijt de gezinsvoogd dat zij niet goed omgaat met zijn zorgen over de veiligheid van de kinderen bij moeder, dat zij geen gespreksverslagen maakt, dat zij zonder zijn toestemming een gesprek heeft gevoerd met de school, dat klager en de jongste dochter door haar zijn geïntimideerd en gechanteerd, dat zij ophitsende uitspraken heeft gedaan en niet neutraal is geweest. Beklaagde doet een beroep op niet-ontvankelijkheid van klager wegens grensoverschrijdend gedrag. Klager is wel ontvankelijk.

Zaaknummer: 18.068T
Datum beslissing: 19 december 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van twee dochters. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door klager en moeder. De oudste dochter woont bij klager; de jongste dochter woont om en om een week bij klager en een week bij moeder. Beklaagde is als gezinsvoogd betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Klager heeft acht klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt ingegaan op de ontvankelijkheid en op de relevante klachtonderdelen I en V.

Omdat klager zich tegenover beklaagde grensoverschrijdend en dreigend heeft gedragen, vindt beklaagde dat klager zijn recht op klagen heeft verspeeld. Het College begrijpt dat beklaagde zich beroept op ‘rechtsverwerking’. Rechtsverwerking is gebaseerd op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Het tuchtrecht heeft naast het civiele recht (en bestuursrecht en strafrecht) een eigen terrein. Het is een zelfstandig rechtsgebied, met eigen procesrecht, normen en bewijsregels. In voorkomende gevallen kan aansluiting worden gezocht bij rechtsopvattingen uit andere rechtsgebieden, zoals bijvoorbeeld het civiele recht. De ontvankelijkheid van een bij SKJ ingediende tuchtklacht moet worden beoordeeld aan de formele vereisten van het Tuchtreglement van SKJ. Het College ziet daarin geen juridische gronden om tot niet-ontvankelijkheid te kunnen concluderen. Artikel 15.1 van het Tuchtreglement bevat een regeling over grievend en ongepast gedrag: “Al hetgeen ter kennis wordt gebracht van het college dient geen uitingen te bevatten waarvan in redelijkheid kan worden gezegd dat deze grievend zijn, dan wel ongepast zijn aan het adres van de partijen, de leden van het college en/of de secretaris. Indien sprake is van dergelijke uitingen zal de voorzitter een beslissing nemen die hem passend voorkomt. Partijen behouden daarbij het recht op een beslissing”. Dat laatste betekent dat partijen in een dergelijk geval het recht op een inhoudelijke beslissing behouden. Dat laatste dient het doel van het tuchtrecht. De begrenzing/bestraffing van een klager met zeer ongepast gedrag wordt (voorts) geboden door het civiele recht en/of het strafrecht. De voorzitter van het College heeft op grond van artikel 9.5 wel besloten partijen gescheiden te horen.

In het eerste klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat zij ondanks toezegging, niet aangeeft op welke wijze zij omgaat met de zorgen van klager over de mishandeling van de jongste dochter door moeder. Het College vermoedt dat er een verschil in visie en beleving ten grondslag ligt aan dit klachtonderdeel. Het College is van oordeel dat beklaagde voldoende heeft gedaan om klager in zijn zorgen tegemoet te komen en heeft daarbij ook steeds gehandeld in het belang van de jongste dochter. In het vijfde klachtonderdeel gaat het erom dat beklaagde zonder toestemming van klager op school een gesprek heeft gevoerd met de jongste dochter. Nu beklaagde onbetwist heeft gesteld dat zij dit besluit weloverwogen en in overleg met haar collega’s heeft genomen en dat zij direct na het gesprek klager heeft geïnformeerd, heeft zij een zorgvuldige afweging gemaakt. Zij heeft hier naar het oordeel van het College de jongste dochter juist tot haar recht laten komen.