Klager verwijt de gezinsvoogd in haar casus niet de juiste professional te zijn omdat zij voormalig collega’s zijn. Ook klaagt zij over de wijze waarop zij hulp verleende in het kader van de ondertoezichtstelling. Artikelen D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode en de richtlijnen ‘Samen beslissen over passende hulp’ en ‘Scheiding en problemen van jeugdigen’ zijn geschonden. Het College heeft daarom een waarschuwing opgelegd.

Zaaknummer: 18.100T
Datum beslissing: 10 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I (deels) en VI gegrond; klachtonderdelen II, III, IV, V, VII en VIII ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van twee zonen. Klaagster en de vader van de kinderen zijn uit elkaar en hebben gezamenlijk het gezag. De kinderen zijn onder toezicht gesteld. Klaagster heeft acht klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de (deels) gegrond verklaarde klachtonderdelen I en VI.

Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat zij had moeten inzien dat zij niet de juiste professional was in deze ondertoezichtstelling, omdat zij en beklaagde collega’s zijn geweest. Beklaagde stelt in haar verweer aan het begin van het traject met haar collega’s te hebben afgesproken te melden als zij zich door deze eerdere collegiale relatie in haar werkzaamheden belemmerd zou gaan voelen. Het College kan daarom niet volgen dat beklaagde dit heeft nagelaten toen zich dit voordeed (“Ik heb op mijn tenen gelopen/op eieren gelopen”). Op beklaagde rust een professionele verantwoordelijkheid om hierop alert te zijn. Het College vindt dat beklaagde door de samenwerking met klaagster toch voort te laten duren niet professioneel heeft gehandeld en kan zich niet voorstellen dat beklaagde zich naar klaagster neutraal en onafhankelijk kon opstellen. Daarmee heeft zij artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode geschonden.

In klachtonderdeel VI verwijt klaagster beklaagde dat zij niet transparant is geweest over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de jongste zoon. Het College stelt vast dat klaagster tijdens een gesprek met beklaagde heeft aangegeven het niet eens te zijn met het aldaar geuite voornemen de ondertoezichtstelling van de jongste zoon te beëindigen. Twee weken later heeft beklaagde klaagster gemaild dat, gezien de gewijzigde omstandigheden, de GI alsnog een verzoek indient ter verlenging van de ondertoezichtstelling en tevens een machtiging uithuisplaatsing zal vragen. Het College kan niet volgen waarom beklaagde klaagster hierover in het ongewisse heeft gelaten. Het verweer van beklaagde dat de periode hectisch was, doet niet aan af aan de plicht van beklaagde klaagster mee te nemen in een dergelijke beslissing. Het College oordeelt dat beklaagde onvoldoende overeenstemming dan wel instemming heeft gezocht met klaagster. Daarmee heeft zij artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.

Nu klachtonderdelen I (deels) en VI gegrond zijn verklaard, beklaagde op meerdere punten verwijtbaar is tekortgeschoten en zich weinig reflectief heeft getoond, maar het handelen van beklaagde aan de andere kant beperkte gevolgen heeft, legt het College de maatregel van waarschuwing op.