Klager verwijt de PGB-expert dat het proces om te komen tot een verlenging van het persoonsgebonden budget onvoldoende, niet professioneel en inadequaat tot stand is gekomen. Klachten zijn deels gegrond, deels ongegrond.

Zaaknummer: 16.053Tb
Datum beslissing: 10 november 2016
Oordeel: klachtonderdeel A, B, D, E en F gegrond, klachtonderdeel C ongegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft in 2015 geïndiceerde zorg (persoonsgebonden budget en zorg in natura) voor zijn zonen ontvangen. In oktober 2015 heeft klager een aanvraag voor een herbeschikking voor 2016 gedaan. Beklaagde is sinds november 2015 bij de aanvraag betrokken geweest als persoonsgebonden budget-expert (hierna: PGB-expert). Samen met een collega is beklaagde verantwoordelijk voor de herbeschikking. Op 26 april 2016 is door de gemeente een beschikking afgegeven.

Klacht

Het College van Toezicht (CvT) heeft vastgesteld dat de klacht in de kern kan worden beperkt tot het volgende. De activiteiten van beklaagde om te komen tot een verlenging van het persoonsgebonden budget – in het kader van een aanvraag door klager van een herbeschikking voor 2016 – zijn  volstrekt onvoldoende, niet professioneel en inadequaat.. De vier afzonderlijke klachtonderdelen zijn daarvan voorbeelden. Binnen de kaders van deze klacht richt het verwijt zich ook op het gebrek aan informatie en ongepaste uitingen door beklaagde.

Beslissing

Het CvT is van oordeel dat het aan de professional is om helder te krijgen wat een verzoek tot geïndiceerde zorg inhoudt. Het CvT overweegt dat beklaagde in haar rol als PGB-expert helderheid zou moeten verkrijgen. Het CvT stelt vast dat hier in het onderhavige geval geen sprake van is geweest. Als intern adviseur op het gebied van PGB had beklaagde voorts niet de indruk moeten wekken dat zij als eerste aanspreekpunt voor klager fungeerde. Het had naar het oordeel van het CvT, gelet op de e-mails die zich in het dossier bevinden, voor beklaagde volstrekt duidelijk moeten zijn dat zij door klager wel als aanspreekpunt werd beschouwd. Aan beklaagde kan worden verweten dat zij die situatie in stand heeft gelaten nadat zij zich dit gerealiseerd moet hebben en de aanvraag van haar en collega naar een andere collega was overgedragen. Het CvT verklaart de klachtenonderdelen A, B, D, E en F gegrond en legt in verband met deze gegrondverklaring de maatregel van berisping op. Het overige deel van de klacht wordt ongegrond verklaard.