Klager verzoekt, ten tweede male, tot wraking van de voorzitter van het College van Toezicht

Zaaknummer: 16.068T-W2
Datum beslissing: 2 maart 2017
Oordeel: wrakingsverzoek afgewezen
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager diende op 15 juni 2016 een klacht in.

Op 7 november 2016 vond daarvan de mondelinge behandeling plaats. Tijdens de mondelinge behandeling verzocht klager tot wraking van de voorzitter van de zittingskamer waarop de hoorzitting tot nader orde is geschorst.

De wrakingskamer wees het verzoek tot wraking op 30 november 2016 toe.

De behandeling van de klacht is door een zittingskamer in een andere samenstelling voortgezet

met een mondelinge behandeling op 2 februari 2017.

Nadat de voorzitter de zitting had gesloten, verzocht klager tot wraking van de voorzitter.

 

Klager onderbouwt het wrakingsverzoek als volgt.

De voorzitter heeft klager, in weerwil van art. 139a Wetboek van Strafrecht, niet willen toestaan om een geluidsopname van de zitting te maken; de voorzitter heeft geweigerd om aan verzoeker een ‘inventarislijst’ ter beschikking te stellen; de voorzitter heeft aan klager niet toegestaan om zijn  pleitnotitie te overleggen.

 

Beslissing.

Het is staande praktijk om het maken van een geluidsopname van een hoorzitting aan partijen niet toe te staan. De beslissing van de voorzitter van de zittingskamer van 2 februari 2017 om dit niet toe te staan, is gestoeld op dit beleid en daarmee niet te herleiden tot een vooringenomenheid jegens verzoeker noch wordt verzoeker aldus anders behandeld dan andere partijen in een tuchtklachtprocedure bij de colleges.

De wrakingskamer die over klagers wrakingsverzoek van 7 november 2016 oordeelde, heeft vastgesteld dat in de tuchtprocedure van SKJ geen door klager zo genoemde ‘inventarislijst’ aan partijen wordt verstuurd en dat het dossier bestaat uit processtukken die door partijen zelf worden ingebracht, waarvan een kopie over en weer aan partijen wordt doorgestuurd, waardoor partijen over en weer op de hoogte zijn van de inhoud van het dossier.

Dit onderdeel van het wrakingsverzoek dient in de behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek niet meer voor te liggen nu de eerdere wrakingskamer aldus heeft geoordeeld.

Klager heeft bovendien reeds tweemaal een kopie van het zaakregister (door klager een ‘inventarislijst’ genoemd) ontvangen, onder andere op 27 januari 2017, beide keren met een verklarende toelichting op de functie van een ‘zaakregister’.

De voorzitter van de zittingskamer van 2 februari 2017 heeft de procesorde op zorgvuldige en heldere wijze bewaakt, op een wijze die respectvol naar klager en naar beklaagde is geweest.

De voorzitter heeft klager diverse malen de gelegenheid gegeven om zijn standpunten toe te lichten maar klager wenste daarvan geen gebruik te maken.

De voorzitter kon om redenen van goede procesorde in redelijkheid besluiten om de productie bestaande uit een 25-tal vragen van klager aan de wrakingskamer niet als pleitnotitie aan te merken.