Klager verzoekt tot wraking van de voorzitter van het College van Toezicht

Zaaknummer: 16.068T (W)
Datum beslissing: 30 december 2016
Oordeel: gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager/verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van zijn klacht (op 7 november 2016) een verzoek gedaan tot wraking van de voorzitter van het College van Toezicht (CvT). Verzoeker heeft hier – zowel tijdens als na de zitting – verschillende gronden voor naar voren gebracht. De W-CvT oordeelt dat door een optelsom aan omstandigheden een gerechtvaardigde schijn van partijdigheid bij de verzoeker is gewekt en het verzoek tot wraking wordt toegewezen.

Verzoek

Verzoeker wraakt de voorzitter van het CvT op meerdere gronden. Onder andere omdat de voorzitter niet goed voorbereid op de zitting en partijdig zou zijn, omdat de mondelinge behandeling twee en een half uur later begon dan de planning was en omdat tevens ingediende stukken door klager zijn geretourneerd. De voorzitter zou volgens verzoeker slechts erop uit zijn de klachten ongegrond te verklaren.

Verweer

De voorzitter begrijpt de onvrede van verzoeker en heeft geprobeerd daar tijdens de zitting zoveel mogelijk rekening mee te houden. De voorzitter motiveert waarom het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

Oordeel

Hoewel het W-CvT niet twijfelt aan de subjectieve onpartijdigheid van de gewraakte voorzitter, kan het W-CvT zich voorstellen dat door een optelsom van omstandigheden een gerechtvaardigde schijn van partijdigheid bij de verzoeker is gewekt. De wrakingskamer wijst ter onderbouwing erop dat meerdere keren stukken zijn teruggestuurd aan de verzoeker zonder voldoende, nadere toelichting. Dat de zittingskamer een aantal weken voor de hoorzitting zonder nadere motivering is gewijzigd en dat de door de verzoeker gevraagde opheldering hierover niet is gegeven, dat de hoorzitting twee en een half uur later is begonnen dan in de uitnodiging voor de hoorzitting stond vermeld, waarbij bovendien met de niet tijdig verschenen beklaagde telefonisch contact is opgenomen, hetgeen uit oogpunt van zorgvuldigheid en procesbelang zeker te verdedigen valt, maar voor verzoeker mede heeft bijgedragen aan het gevoel niet gelijk behandeld te worden, en dat vervolgens ter zitting de voorzitter van het CvT aangeeft geen kennis genomen te hebben van de na- en teruggestuurde stukken, maar dat verzoeker de pleitnotitie ter zitting mocht voordragen. Het W-CvT wijst het wrakingsverzoek toe. Andere klachten worden ongegrond verklaard.