Klagers stellen beroep in tegen ongegrond verklaarde klacht

Zaaknummer: 16.006B
Datum beslissing: 2 december 2016
Oordeel: beroep deels gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers hebben zich op enig moment aangemeld bij Combinatie Jeugdzorg als aspirant pleegouders voor weekend- en vakantieopvang van kinderen. In verband met de beoordeling van de geschiktheid als pleegouder, hebben zij het traject Aspirant Pleegouderschap doorlopen. Beklaagde heeft dit traject begeleid en een aantal gesprekken bij klagers thuis gevoerd. In de loop van het laatstgenoemde gesprek, waarbij een collega van beklaagde aanwezig was, heeft beklaagde na een blikwisseling met de collega aan klagers medegedeeld dat zij niet werden geaccepteerd als pleegouders. Klagers hebben over de besluitvorming en de bejegening tijdens het Traject een klacht ingediend bij het CvT, die de klacht bij beslissing van 19 april 2016 in beide onderdelen heeft afgewezen. Klagers zijn van deze beslissing tijdig in beroep gekomen en voeren in beroep in de kern aan dat het College van Toezicht ten onrechte heeft overwogen dat de besluitvorming van beklaagde in het traject “Aspirant Pleegouderschap” zorgvuldig is geweest en dat niet gebleken is dat beklaagde klagers onheus heeft bejegend. Beklaagde heeft in beroep aangevoerd dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun beroep, nu klagers de gronden van het beroep onvoldoende hebben onderbouwd en als aspirant pleegouders niet kunnen worden aangemerkt als cliënten in de zin van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker.

Wat betreft de ontvankelijkheid oordeelt het College van Beroep dat klagers kunnen worden ontvangen in hun klacht. Dit omdat klagers direct geraakt worden door het professionele handelen van beklaagde en het handelen van beklaagde rechtstreeks betrekking heeft op het jeugddomein. Ook hebben de klagers hun klacht, naar het oordeel van het CvB, feitelijk voldoende onderbouwd.

Het College van Beroep is van oordeel dat beklaagde in een apart gesprek aan klagers had moeten mededelen wat de conclusie van het doorlopen traject was. Gezien de grote impact van de beslissing, was het van belang voor klagers dat zij van tevoren precies op de hoogte waren geweest wanneer in het traject enig besluit genomen zou worden. Dit vloeit onder andere voort uit de in artikel F van de Beroepscode neergelegde norm over adequate informatievoorziening aan cliënten. Nu de besluitvorming op punten onvoldoende zorgvuldig is geweest en beklaagde hierin te kort geschoten is, oordeelt het CvB dat de eerste grief gegrond is. De tweede grief wordt wegens gebrek aan bewijs verworpen, nu de lezingen van klagers en beklaagde volledig uiteenlopen wat betreft de bejegening. De uitspraak van het CvT, waartegen beroep, wordt voor het overige bevestigd. Ter zitting heeft beklaagde kenbaar gemaakt dat zij lering heeft getrokken uit de gebeurtenissen en dit zal betrekken bij haar toekomstige beroepsuitoefening. Vanwege deze opstelling van beklaagde wordt geen maatregel opgelegd voor het gegronde klachtonderdeel.

Eerdere beslissing College