De maatregel van berisping wordt opgelegd omdat beklaagde de door haar gedane toezegging aan klagers niet is nagekomen, te weten dat een onderzoek naar de thuissituatie van hun voormalig pleegkind zou worden aangevraagd bij de Centrale Autoriteit in Engeland

Zaaknummer: 16.097Tb
Datum beslissing: 7 februari 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Voormalige pleegouders van de vierjarige X. dienen een klacht in tegen beklaagde omdat zij – als leidinggevende van de gezinsvoogd (beklaagde in zaak 16.097Ta) – nalatig geweest is in het houden van toezicht op het dossier van X. Ook is zij de door haar gedane toezegging tijdens het bemiddelingsgesprek met klagers niet nagekomen. Het CvT heeft echter niet kunnen vaststellen dat beklaagde leidinggevende is geweest van de beklaagde in de a-zaak. Wel heeft beklaagde tijdens het bemiddelingsgesprek met klagers de toezegging gedaan dat er een onderzoek zou worden aangevraagd bij de Centrale Autoriteit (CA) in Engeland, dit onderzoek is echter nooit in gang gezet. Evenmin heeft beklaagde de inhoud van het telefoongesprek dat zij met klagers heeft gevoerd, overgebracht aan de leidinggevende van de gezinsvoogd. Zij heeft voorts nagelaten klagers te informeren over de behandeling van de verlenging van de OTS en UHP.

Klacht

Klagers verwijten beklaagde het volgende: beklaagde is nalatig geweest in het regelen van een overdracht tussen de verschillende gezinsvoogden van X. Beklaagde heeft toegestaan dat verschillende gezinsvoogden een verschillende koers hebben gevaren in hetzelfde dossier. Beklaagde was er niet van op de hoogte wat de gezinsvoogden aan derden heeft medegedeeld, en of deze uitlatingen klopten of niet, er zijn veel tegenstrijdige verklaringen. Er is sprake geweest van onvoldoende toezicht op de verslaglegging/dossiervorming. De aansturing van beklaagde voldoet niet aan de beroepsstandaarden en schaadt het vertrouwen in de jeugdzorg.

Beslissing

Het CvT heeft niet kunnen vaststellen dat beklaagde leidinggevende is geweest van beklaagde in de a-zaak. Wel heeft beklaagde met klagers een telefoongesprek gevoerd op 9 februari 2016. In dit gesprek is de uitdrukkelijke wens van klagers besproken, te weten kennismaking met de nieuwe gezinsvoogd voordat het omgangsmoment tussen het kind en de moeder zou plaatsvinden. Deze kennismaking heeft niet plaatsgevonden noch is vast komen te staan dat beklaagde de inhoud van dit telefoongesprek heeft overgedragen aan de leidinggevende van de gezinsvoogd. Dit neemt het College beklaagde kwalijk, wat maakt dat dit eerste klachtonderdeel gegrond verklaard wordt. Het tweede klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard omdat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld of beklaagde een actieve dan wel centrale rol gespeeld heeft in de besluitvorming van de GI na het handelen van de gezinsvoogd bij de zitting op de rechtbank. Het derde klachtonderdeel wordt deels gegrond verklaard en wel daar waar het zich richt op de door beklaagde gedane toezegging tijdens het bemiddelingsgesprek met klagers. Beklaagde heeft toegezegd dat een onderzoek zou worden aangevraagd bij de centrale autoriteit in Engeland, terwijl dit onderzoek nooit in gang is gezet en beklaagde dit niet is nagegaan. Voorts wordt het vierde klachtonderdeel deels gegrond verklaard nu klagers geen afschrift hebben ontvangen van het bemiddelingsgesprek, terwijl dit wel door beklaagde is toegezegd. Evenmin zijn klagers op de hoogte gesteld over de inhoud van de rechtsingang bij de kinderrechter. Tot slot wordt het vijfde klachtonderdeel ongegrond verklaard, omdat niet is vastgesteld dat beklaagde de leidinggevende is geweest van de betrokken gezinsvoogden.

Het CvT oordeelt dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. De ernst van de feiten die ten grondslag liggen aan de gegrond verklaarde klachtonderdelen zijn zodanig en het handelen van beklaagde is zodanig verwijtbaar dat het CvT een berisping oplegt.