De maatregel van voorwaardelijke schorsing wordt opgelegd omdat beklaagde zonder overleg met collega’s het verzoek tot verlenging OTS en UHP ter zitting heeft ingetrokken en geen melding heeft gedaan bij de Centrale Overheid in Engeland

Zaaknummer: 16.097Ta
Datum beslissing: 7 februari 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Voormalige pleegouders van de vierjarige X. dienen een klacht in tegen beklaagde omdat hij – zes dagen na zijn betrokkenheid als (nieuwe) gezinsvoogd – het ingediende verzoek van de GI, te weten verlening OTS en verlenging UHP van X. bij pleegouders, ter zitting heeft ingetrokken. Met als gevolg dat X. is teruggeplaatst bij zijn moeder en stiefvader in Engeland. Beklaagde heeft nagelaten een vangnet voor het kind te creëren. Dit terwijl X. minder dan een jaar daarvoor met spoed uit huis geplaatst was, vanwege de zeer verwaarloosde en gevaarlijke opvoedomgeving waarin hij zich bevond. Naar de thuissituatie van de moeder en stiefvader in Engeland heeft geen degelijk onderzoek plaatsgevonden. Noch is de Centrale Autoriteit (CA) op de hoogte gesteld. Noch heeft beklaagde overleg gehad met collega’s over X. dan wel over de verzoeken die voorlagen.

Klacht

Klagers verwijten beklaagde het volgende: nalatig te zijn geweest in het waarborgen van de veiligheid van X. Beklaagde heeft structureel niet overlegd met collega professionals en zijn eigen koers gevaren. Beklaagde heeft op onprofessionele wijze de relatie met X. en klagers en de pleegzorgorganisatie beëindigd. Er is sprake geweest van onvoldoende verslaglegging/dossiervorming. Beklaagde heeft de belangen van X. ten onrechte ondergeschikt gemaakt aan die van de ouders. Beklaagde heeft niet open en eerlijk gecommuniceerd, noch met klagers, noch met de pleegzorgorganisatie. Beklaagde heeft geen overleg gehad met de pleegzorgbegeleiding over de relatie van X. met zijn moeder. Beklaagde heeft tot slot mondeling aangegeven geen vertrouwen te hebben in de procedure die bij zijn functie horen.

Beslissing

Betreffende het eerste klachtonderdeel is het CvT gebleken dat beklaagde, op basis van een gesprek met een hulpverlener van moeder en een begeleid omgangsmoment, een positieve indruk kreeg van moeder en stiefvader. Het CvT oordeelt dat dit echter in geen verhouding staat met de zeer zorgelijke situatie waarin X. zich, slechts een half jaar daarvoor, bevond. Dit laatste klemt te meer nu door het handelen van beklaagde geen vangnet is opgezet door de plaatselijke autoriteiten in Engeland nu beklaagde de CA niet heeft geïnformeerd over de komst van X. dan wel van de intrekking van de verzoeken en de gevolgen daarvan. Het eerste klachtonderdeel wordt dan ook gegrond verklaard. Ook het tweede klachtonderdeel wordt gegrond verklaard nu beklaagde niet is overgegaan tot een verzoek tot onderbreking van de zitting om nader te overleggen met de GI betreffende zijn intrekking van de verlening OTS en verlening UHP. Het CvT acht het ongeloofwaardig dat de volgende dag – tijdens een spoed-stafoverleg – besloten zou zijn de situatie te laten zoals het was. Het CvT neemt het beklaagde voorts zeer kwalijk dat hij tijdens de SKJ zitting heeft medegedeeld dat hij onder dezelfde omstandigheden in de toekomst hetzelfde zou handelen waardoor het CvT de niet uitwisbare indruk heeft overgehouden van een beklaagde die thans niet in staat is het foutieve van zijn handelingen in te zien. Het derde klachtonderdeel wordt tevens gegrond verklaard omdat het op de weg van beklaagde had gelegen om klagers op de hoogte te houden van ontwikkelingen direct na de overdracht van X. Dat de formele relatie tussen klagers en beklaagde op 3 maart 2016 ten einde liep, doet hier niets aan af. Het CvT is ook niet gebleken dat beklaagde op wat voor wijze dan ook de pleegzorgorganisatie op de hoogte heeft gehouden van de verdere ontwikkelingen. Voorts wordt klachtonderdeel vier deels gegrond verklaard en wel daar waar het zich richt op de notulen van het bemiddelingsgesprek. Dit document had ter beschikking moeten worden gesteld aan klagers. Voor het overige van het klachtonderdeel stelt beklaagde terecht dat klagers geen recht hebben op stukken wanneer deze niet direct gerelateerd zijn aan de opvoedsituatie van X. bij klagers. Het vijfde klachtonderdeel wordt gegrond verklaard onder verwijzing naar hetgeen geoordeeld is omtrent het intrekken van de verzoeken door beklaagde. Klachtonderdeel zes wordt deels gegrond verklaard en wel daar waar het zich richt op het onderdeel dat beklaagde na de zitting aan klagers slechts de uitkomst (beëindiging OTS en UHP per 3 maart 2016) heeft medegedeeld en verzuimd heeft mede te delen dat hij degene is geweest die de verzoeken heeft ingetrokken. Nu beklaagde zijn ervaring betreffende het begeleide omgangsmoment niet getoetst heeft aan die van de pleegzorgbegeleider, terwijl het positieve gevoel van beklaagde grote impact heeft gehad om na de intrekking geen verdere actie te ondernemen, wordt tevens het zevende klachtonderdeel gegrond verklaard. Tot slot wordt het achtste klachtonderdeel ongegrond verklaard, omdat het gestelde door klagers niet is erkend door beklaagde. Het CvT kan niet vaststellen, bij gebreke aan andere aanwijzingen, dat beklaagde zich negatief zou hebben uitgelaten over de functie en taken van de CA.

Het CvT oordeelt dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), I (beëindiging van de professionele relatie), N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) en O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. De ernst van de feiten die ten grondslag liggen aan de gegrond verklaarde klachtonderdelen zijn zodanig en het handelen van beklaagde is zodanig verwijtbaar dat het CvT een voorwaardelijke schorsing oplegt.