De maatregel van waarschuwing wordt opgelegd aan de betrokken gezinsvoogd, waarbij de gegronde klachtonderdelen zien op de dossierverstrekking aan klager, een gedane verklaring aan de rechtbank, toetsing van de verdeling in de zorg- en opvoedingstaken en de wijze waarop klager is geïnformeerd over belmomenten die zijn gemonitord. Er zijn meerdere artikelen van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.049Tb
Datum beslissing: 19 maart 2018
Oordeel: klachtonderdelen III, V, VI en VIII ongegrond, klachtonderdeel I deels, II deels, IV deels en VII gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. Zie voor de beslissing van het College van Beroep: zaaknummer 18.006Bb.

Klager heeft tegen de jeugdprofessional, die belast was met de uitvoering van de ondertoezichtstelling (samen met een collega), acht klachtonderdelen ingediend. Klachtonderdeel I, over de dossierverstrekking en de informatieverschaffing hierover richting klager, wordt deels gegrond verklaard. Het wordt beklaagde aangerekend dat zij na 10 januari 2017 – na het uitdrukkelijke verzoek van klager om een afschrift van zijn dossier – niet begonnen is met het doornemen van het dossier van klager en dat zij klager niet geïnformeerd heeft over de langere duur die naar alle waarschijnlijk gemoeid zou zijn met het verstrekken van een afschrift van zijn dossier, haar uitdiensttreding per 1 februari 2017 doet hier niet aan af (artikel M, verslaglegging / dossiervorming, en artikel D, bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg, van de Beroepscode geschonden). Ook klachtonderdeel twee wordt deels gegrond verklaard, omdat beklaagde een verklaring aan de rechtbank gedaan heeft, die gelet op de stukken, niet anders dan op een misverstand kan berusten. Van een professional mag als regiehouder over de hulpverlening verwacht worden dat deze transparant, en slechts feitelijke juistheden, tegenover de rechtbank verklaart (artikelen A, jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen, en N, samenwerking in de hulp- en dienstverlening, van de Beroepscode geschonden). Voorts wordt klachtonderdeel IV deels gegrond verklaard, omdat beklaagde nagelaten heeft de door de GI vastgestelde verdeling in de zorg- en opvoedingstaken – en de nadien gewijzigde verdeling – door de kinderrechter te laten toetsen conform artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (artikel H, macht en afhankelijkheid in de professionele relatie, van de Beroepscode geschonden). Tot slot wordt klachtonderdeel VII gegrond verklaard, omdat het op de weg van beklaagde lag om klager te informeren over het gegeven dat – op verzoek van de GI – de belmomenten tussen klager en zijn kinderen zouden worden bijgehouden door een andere betrokken instelling (artikel F, informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening, en J, vertrouwelijkheid, van de Beroepscode).

Bij het opleggen van een maatregel heeft het College rekening gehouden met de omstandigheden waaronder beklaagde heeft gehandeld. Het College constateert dat klager zeer veelvuldig het contact met beklaagde heeft gezocht om zijn belangen onder de aandacht te brengen, en dat hij daarbij, naar alle waarschijnlijkheid, verkeerde verwachtingen heeft gehad van hetgeen in redelijkheid van beklaagde uit hoofde van zijn functie verwacht zou mogen worden. Voor het College is voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde, in deze complexe casus met tegenstrijdige belangen, zich ingezet heeft om zorgvuldig – naar eer en geweten – en in het belang van de kinderen te handelen. Het College concludeert dat kan worden volstaan met het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan beklaagde.