Moeder dient beroep in (onder andere) vanwege het te laat opstellen van een Plan van Aanpak door de jeugdzorgwerker. Het College van Beroep acht dit deel van het beroep gegrond maar ziet mede gelet op de omstandigheden waaronder de jeugdzorgwerker heeft moeten werken, geen aanleiding een maatregel op te leggen

Zaaknummer: 17.027B (16.173T)
Datum beslissing: 11 april 2018
Oordeel: beroep deels gegrond, klachtonderdeel IV alsnog deels gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 16.173T

De beoordeling van de eerste drie klachtonderdelen waartegen door de moeder beroep is ingesteld, worden door het College van Beroep gehandhaafd. Daarnaast is moeder in beroep gegaan tegen klachtonderdeel IV (hulpverlening niet gericht op vechtscheiding) en zij meent dat het College van Toezicht zich in de bestreden beslissing ten onrechte niet heeft uitgelaten over het te laat opstellen van een Plan van Aanpak. Het College van Beroep is van oordeel dat dit deel van het beroep slaagt. Het College van Beroep merkt op dat in artikel 4.1.3 Jeugdwet is bepaald dat het Plan van Aanpak wordt vastgesteld uiterlijk binnen zes weken, nadat is vast komen te staan dat afgezien wordt het van het opstellen van een familiegroepsplan. Het College van Beroep stelt vast dat er tussen het uitspreken van de ondertoezichtstelling en het vaststellen van het Plan van Aanpak een periode van zes maanden heeft gezeten en is van oordeel dat dit een te lange periode is. Hierbij neemt het College van Beroep in overweging dat een Plan van Aanpak alle betrokkenen – inclusief de jeugdzorgwerker – handvatten en structuur biedt met betrekking tot de hulpverlening. Hoewel het College van Beroep waardering heeft voor hoe de jeugdzorgwerker zich heeft ingespannen in deze casus, een complexe echtscheiding waarbij er voortdurend sprake is geweest van tegenstrijdige belangen, diende hij daarbij het opstellen van een Plan van Aanpak niet uit het oog te verliezen dan wel uit te stellen. De jeugdzorgwerker valt een tuchtrechtelijk verwijt te maken en er is sprake van schending van artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College van Beroep is er echter van overtuigd geraakt dat de jeugdzorgwerker zich in de onderhavige situatie naar behoren heeft ingespannen met het oog op het belang van de betrokken minderjarige voorop. Gelet hierop is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdzorgwerker slechts een beperkt tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dit het opleggen van een maatregel niet rechtvaardigt. Ten overvloede overweegt het College van Beroep dat het (tijdig) opstellen van een Plan van Aanpak mede een verantwoordelijkheid is van de instelling waar de jeugdprofessional werkzaam is. De instelling dient hierbij vooral de jeugdprofessional te ondersteunen zoals door middel van supervisie, intervisie en praktijkbegeleiding.