Moeder en meerderjarige dochter klagen over jeugdbeschermer die de kinderen niet tot hun recht laat komen, niet helpen en het vertrouwen in de jeugdzorg niet bevordert. Daarnaast wordt geklaagd over machtsmisbruik, het onthouden van informatie, het schenden van beroepsgeheim en het schrijven van onwaarheden. Het College acht de klacht deels gegrond.

Zaaknummer: 16.153T
Datum beslissing: 1 juni 2017
Oordeel: deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder en haar meerderjarige dochter klagen over de werkwijze van de jeugdbeschermer.

Klacht

Klaagsters verwijten beklaagde – kort weergeven – het volgende. Klaagster A verwijt beklaagde dat zij de kinderen niet tot hun recht laat komen. Daarnaast zou beklaagde, niet bereid zijn klaagster B (meerderjarige dochter) te helpen. Beklaagde bevordert het vertrouwen in de jeugdzorg niet. Beklaagde toont geen respect voor klaagsters. Beklaagde voorziet klaagster A niet van informatie over de hulp- en dienstverlening. Beklaagde misbruikt haar macht. Beklaagde heeft geen uitleg gegeven over de beëindiging van de ondertoezichtstelling (OTS). Beklaagde gaat niet vertrouwelijk om met een rapportage. Tot slot verwijt Klaagsters A beklaagde dat de verslaglegging en dossiervorming onwaarheden bevatten.

Beslissing

Het CvT verklaart acht klachtonderdelen ongegrond en een deels gegrond.
Het CvT is van oordeel dat de frequentie waarmee beklaagde de kinderen bezocht gelet op de aard van de opdracht passend was. Beklaagde was in haar onderzoek gericht op de ouders en dit ging buiten de jonge kinderen om. Het CvT begrijpt de klacht van klaagster dat beklaagde te weinig oog heeft gehad voor de [naam land] cultuur waarin één en ander zich heeft afgespeeld, wellicht was het beter geweest als er meer inlevingsvermogen of empathie jegens klaagsters was geweest. Naar het oordeel van het CvT is beklaagde echter hiermee niet buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening getreden. Voorts beklagen klaagsters zich erover dat zij onjuist door beklaagde zijn geïnformeerd over de precieze inhoud van de onderzoeksopdracht. Nu klaagsters zelf in het bezit waren van de beschikking van de rechtbank en van het raadsrapport is het CvT oordeel dat klaagsters zelf op de hoogte waren van de omstandigheid dat er een onderzoek zou worden gedaan en wat dat onderzoek inhield. Het CvT heeft met betrekking tot het onzorgvuldig omgang met een rapportage in het dossier, en het verhandelde ter zitting, geen aanknopingspunten aangetroffen waaruit dit blijkt.

Ten aanzien van de klacht m.b.t. het informeren over de beëindiging van de OTS heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij geen uitleg heeft gegeven over de beëindiging van de OTS. Zij erkent dat zij op dit punt een betere inschatting had moeten maken en derhalve anders had moeten handelen. Zij had de kinderen hierover zelf moeten informeren. Het CvT verklaart dit klachtonderdeel deels gegrond. Beklaagde heeft ter zitting blijk gegeven de onjuistheid van haar professioneel handelen in te zien en in staat zijn op die tekortschieting te reflecteren. In dit geval komt het CvT derhalve tot oordeel dat een maatregel – gelet op de totale aard van de zaak – niet op zijn plaats is.