Moeder in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep is van oordeel dat de jeugdbeschermer, ondanks het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing door het gerechtshof, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

Zaaknummer: 18.003B
Datum beslissing: 25 juli 2018
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het beroepschrift richt zich tegen twee ongegrond verklaarde klachtonderdelen en een gegrond klachtonderdeel. De moeder wordt in haar grief tegen het gegrond verklaarde klachtonderdeel door het College van Beroep op grond van artikel 12.1 van het Tuchtreglement niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het College van Beroep overwogen dat het niet mogelijk is om in beroep te gaan tegen een beslissing van het College van Toezicht om al dan niet een maatregel op te leggen aan een beklaagde. Het opleggen van een maatregel, en de eventuele zwaarte daarvan, is een bevoegdheid die toekomt aan de tuchtcolleges van SKJ.

In deze beroepsprocedure stond (onder andere) de vraag centraal of een jeugdbeschermer, ondanks het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing door het gerechtshof, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Het College van Beroep heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het College van Beroep heeft in het oordeel meegenomen dat het is gebleken dat de jeugdbeschermer helder voor ogen had hoe zij de moeder wilde informeren over het beperken van de omgang en het aankondigen van de schriftelijke aanwijzing. Het College van Beroep is van oordeel dat het tijdspad dat de jeugdbescherming daarbij wilde hanteren, en de wijze van informeren, een werkwijze is die niet in strijd is met artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (Beroepscode). Het College van Beroep betreurt wel de ontstane situatie tijdens het betreffende gesprek en dat hierdoor de jeugdbeschermer en de moeder beide niet (afdoende) in staat zijn geweest hun zienswijze te geven en/of voorgenomen besluit toe te lichten. Nu er door de jeugdbeschermer onbetwist is gesteld dat zich tijdens het gesprek een situatie voordeed waaruit zij opmaakte dat de veiligheid van de dochter in het geding was, is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdbeschermer nog voldoende heeft gehandeld conform artikel E van de Beroepscode. Het College van Beroep heeft wel de indruk dat het aan een passend vervolg heeft ontbroken nu de jeugdbeschermer de moeder niet meer heeft gesproken of heeft uitgenodigd voor een vervolggesprek. Het handelen van de jeugdbeschermer ten opzichte hiervan had beter gekund, maar het gaat het College van Beroep te ver om de jeugdbeschermer ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.