Moeder verwijt de gezinsvoogd niet deskundig te hebben gehandeld bij en na het uithuisplaatsen van haar dochter. Klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 16.050Tb
Datum beslissing: 11 november 2016
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is sinds 29 december 2015 betrokken geweest bij klaagster en haar dochter. Op 30 december 2015 is door de Raad voor de Kinderbescherming een spoedmelding gedaan bij Jeugdbescherming. Naar aanleiding van deze spoedmelding was beklaagde op 30 december 2015 in de woning van klaagster aanwezig. In aanwezigheid van beklaagde is de dochter van klaagster met spoed uit huis geplaatst.

Klacht

Klaagster verwijt beklaagde dat zij op 30 december 2015 tijdens de uithuisplaatsing van haar dochter in de priv├ęspullen van klaagster heeft gesnuffeld. Voorts verwijt klaagster beklaagde dat zij op 5 januari 2016 heeft gelogen over een ziekenhuisbezoek van haar dochter. Ten derde klaagt klaagster over het feit dat beklaagde haar dochter aan haar lot heeft overgelaten en haar in gevaar heeft gebracht. Ten vierde zou beklaagde de dochter na de uithuisplaatsing in drie maanden tijd slechts drie keer gesproken hebben. Ten vijfde heeft beklaagde de gezondheid van de dochter en het advies van de huisarts hieromtrent niet serieus genomen. Tot slot verwijt klaagster beklaagde dat zij geen oog heeft gehad voor de schoolresultaten en de toekomst van de dochter.

Beslissing

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College van Toezicht (CvT) heeft ten aanzien van het eerste klachtonderdeel overwogen dat beklaagde afdoende heeft verklaard dat zij niet in lades, kastjes of tassen heeft gekeken en evenmin soortgelijke handelingen heeft verricht. Ten aanzien van klachtonderdeel twee is op basis van het dossier niet gebleken dat beklaagde heeft gelogen over het ziekenhuisbezoek van de dochter. Het CvT heeft ten aanzien van klachtonderdeel drie op basis van de feiten en omstandigheden geoordeeld dat beklaagde niet buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft gehandeld en beklaagde de dochter niet in gevaar heeft gebracht waardoor haar geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Ten aanzien van klachtonderdeel vier is uit het dossier genoegzaam gebleken dat sprake is geweest van meerdere contacten tussen beklaagde en de dochter ook na de uithuisplaatsing. Klachtonderdelen vijf en zes zijn door het CvT tezamen beoordeeld. Uit de feiten en omstandigheden is niet gebleken dat beklaagde geen oog zou hebben gehad voor de gezondheid, de schoolresultaten en de toekomst van dochter. Gelet op het vorenstaande zijn alle klachtonderdelen ongegrond.