Moeder verwijt gezinsvoogd niet deskundig te hebben gehandeld gedurende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zoon. Klachten zijn deels niet-ontvankelijk, deels gegrond, deels ongegrond.

Zaaknummer: 16.052T
Datum beslissing: 23 december 2016
Oordeel: klachtonderdeel I: niet-ontvankelijk, klachtonderdeel II gegrond, klachtonderdelen III, IV, V, VI en VII ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

In deze zaak is beroep ingesteld. Zie voor de beslissing van het College van Beroep: zaaknummer 17.004B

De zoon van klaagster is sinds 13 december 2011 onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling (ots) telkenmale is verlengd. Tussen 7 april 2015 en 7 juli 2016 is beklaagde als gezinsvoogd betrokken geweest bij de ots van de zoon. Op 25 februari 2016 heeft een SOS-meeting plaatsgevonden, hetgeen heeft geresulteerd in een spoeduithuisplaatsing van de zoon op 26 februari 2016. De op 26 februari 2016 verleende machtiging tot uithuisplaatsing werd bij beschikking van 25 maart 2016 door de rechtbank bekrachtigd. Tussen klaagster en haar zoon heeft tussen 26 februari 2016 en 14 april 2016 geen contact plaatsgevonden. Voorts is de zoon tussen de uithuisplaatsing op 26 februari 2016 en de zomervakantie van 2016 niet naar school geweest.

Klacht

Klaagster verwijt beklaagde dat beklaagde diverse keren medische gegevens met betrekking tot haar echtgenoot, zonder diens toestemming, heeft verstrekt aan derden. Ten tweede klaagt klaagster dat beklaagde heeft nagelaten doelen te formuleren teneinde klaagster de gelegenheid te geven toe te werken naar de mogelijkheid van een thuisplaatsing van de zoon. Ten derde verwijt klaagster beklaagde dat zij op onjuiste gronden en zonder onderzoek is overgegaan tot uithuisplaatsing van de zoon. Ten vierde verwijt klaagster beklaagde dat zij heeft nagelaten klaagster te informeren over de zoon na de machtiging tot uithuisplaatsing. Ten vijfde klaagt klaagster dat zij door beklaagde onvoldoende in staat is gesteld contact te hebben met haar zoon na de uithuisplaatsing. Ten zesde verwijt klaagster beklaagde dat zij heeft nagelaten adequate schoolvoorzieningen te treffen voor de zoon na zijn uithuisplaatsing. Tot slot zou beklaagde zich naar derden uitsluitend negatief hebben uitgelaten over klaagster.

Beslissing

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel heeft het College van Toezicht (CvT) geoordeeld dat klaagster niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel, omdat de klacht van klaagster niet mede is ondertekend door haar echtgenoot – zijnde de belanghebbende in het eerste klachtonderdeel. Beklaagde heeft klachtonderdeel twee niet weersproken. Het CvT stelt vast dat beklaagde heeft verzuimd om na de spoeduithuisplaatsing een Plan van Aanpak vast te stellen, waaruit zou kunnen hebben gebleken aan welke doelen klaagster diende te voldoen, wilde kunnen worden gesproken over een eventuele terugplaatsing van de zoon bij klaagster. Het CvT heeft geoordeeld dat klachtonderdeel twee gegrond is en heeft in verband met de gegrondverklaring de maatregel van waarschuwing aan beklaagde opgelegd.

Ten aanzien van klachtonderdeel drie heeft het CVT overwogen dat beklaagde op voldoende gronden en na onderzoek is overgegaan tot de uithuisplaatsing van de zoon. Ten aanzien van klachtonderdeel vier heeft beklaagde onweersproken gesteld dat zij meerdere malen heeft geprobeerd contact op te nemen met klaagster. Het CvT is van oordeel dat het beklaagde niet kan worden verweten onvoldoende inspanningen te hebben verricht om klaagster te informeren over het welzijn van haar zoon. Ten aanzien van het vijfde klachtonderdeel is naar het oordeel van het CvT het feit dat klaagster weinig contact met haar zoon heeft gehad na de uithuisplaatsing niet toe te rekenen aan niet adequaat optreden door beklaagde. Het is het gevolg geweest van een samenloop van omstandigheden, waaraan ook het optreden van moeder en haar telefonische onbereikbaarheid heeft bijgedragen. Ten aanzien van klachtonderdeel zes heeft het CvT overwogen dat het een kwalijke situatie is dat de zoon ruim vier maanden geen onderwijs heeft genoten, maar dat niet is vast te stellen dat dit aan beklaagde is te wijten. Tot slot heeft het CvT ten aanzien van het laatste klachtonderdeel vastgesteld dat beklaagde haar zorgen over de opvoedsituatie van de zoon op professionele wijze heeft willen uiten. Gelet op het voorgaande heeft het CvT klachtonderdelen drie tot en met zeven ongegrond verklaard.