Moeder verwijt gezinsvoogd op onprofessionele wijze te hebben gehandeld. De klacht is op alle onderdelen ongegrond.

Zaaknummer: 16.063T & 16.135T
Datum beslissing: 13 april 2016
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

In deze zaak is beroep ingesteld. Zie voor de beslissing van het College van Beroep: zaaknummer 17.019B.

Klaagster is de moeder van een tweeling. De tweeling is met ingang van 3 januari 2013 onder toezicht gesteld. Beklaagde is als gezinsvoogd van september 2015 tot januari 2016 bij klaagster en haar gezin betrokken geweest. Op 11 september 2015 heeft de kinderrechter bepaald dat de ondertoezichtstelling (ots) werd verlengd voor de duur van zes maanden. Het uitgangspunt van de ondertoezichtstelling was op dat moment te onderzoeken welke rol de vader in het leven van de kinderen zou kunnen spelen. De ots is vervolgens tweemaal voor drie maanden verlengd. Op 5 september 2016 heeft er een zitting plaatsgevonden in verband met het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Beklaagde heeft ter zitting de GI vertegenwoordigd en heeft, in reactie op het verweer van klaagster, aantekeningen overgelegd. De rechtbank heeft de ots van 11 september 2016 tot 11 september 2017 verlengd. Klaagster heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld, maar heeft het beroep uiteindelijk ingetrokken.

Klacht

De klacht bestaat uit tien klachtonderdelen. Ten eerste verwijt klaagster beklaagde dat zij geen, dan wel onvoldoende gevolg heeft gegeven aan de opdrachten van de rechter door de kinderen niet te zien dan wel niet te horen. Ten tweede verwijt klaagster beklaagde dat zij op basis van vooroordelen en vooringenomen standpunten een slotrapportage heeft opgesteld. Ten derde klaagt klaagster dat beklaagde geen afschrift van haar correspondentie met vader naar klaagster heeft gestuurd. Ten vierde verwijt klaagster beklaagde dat zij de verbeterpunten punten die klaagster heeft aangedragen met betrekking tot de concept slotrapportage niet heeft verwerkt. Ten vijfde verwijt klaagster beklaagde dat zij misbruik maakt van haar machtspositie door klaagster een schriftelijke aanwijzing te geven, terwijl zij op dat moment in contact was met de Raad voor de Kinderbescherming over de door haar nog te ondertekenen toestemmingsverklaring voor het belevingsonderzoek. Klachtonderdelen zes tot en met negen zijn tezamen behandeld. Deze klachtonderdelen richten zich alle op het optreden van beklaagde ter zitting van de kinderrechter op 5 september 2016. In het tiende klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde dat zij in strijd handelt met de eisen van een goede rechtsorde, door te laat het verweerschrift in hoger beroep in te dienen en niet inhoudelijk in te gaan op het door klaagster ingediende beroep.

Beslissing

Ten aanzien van het eerste klachtenonderdeel overweegt het College van Toezicht (CvT) dat de kinderen heel duidelijk te kennen hadden gegeven dat zij met rust gelaten wilden worden door de hulpverleners en dat beklaagde geen signalen stelde te hebben ontvangen dat het niet goed ging met de kinderen. Het CvT oordeelt dat het in dit specifieke geval niet verwijtbaar is dat beklaagde geen contact heeft opgenomen met de kinderen zelf. Ten aanzien van het tweede klachtenoordeel oordeelt het CvT dat uit de toelichting van beklaagde ter zitting blijkt dat de door beklaagde gehanteerde formuleringen in de slotrapportage gebaseerd zijn op ofwel eerdere rapportages dan wel op ervaringen van beklaagde zelf. De wijze waarop beklaagde heeft gerapporteerd is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ten aanzien van het derde klachtonderdeel is gebleken dat vader een aantal e-mails naar beklaagde heeft verzonden zonder moeder in de CC te zetten. Beklaagde heeft deze e-mails niet in het dossier opgenomen. Het CvT acht deze handelswijze van beklaagde correct. Ten aanzien van klachtonderdeel vier overweegt het CvT dat alleen feitelijke onjuistheden op verzoek van klaagster in de concept-slotrapportage kunnen worden aangepast. Klaagster en beklaagde zijn het in het onderhavige geval echter niet eens over de inhoud van de slotrapportage. Het CvT oordeelt dat beklaagde niet onzorgvuldig heeft gehandeld door haar visie niet aan te passen in de slotrapportage. Ten aanzien van klachtonderdeel vijf overweegt het CvT dat beklaagde in de veronderstelling was dat klaagster geen toestemming voor het door de rechter gelaste belevingsonderzoek wilde geven, terwijl hier enige voortvarendheid mee gemoeid was. Gelet op het voorgaande oordeelt het CvT dat het beklaagde niet kan worden verweten dat zij een schriftelijke aanwijzing aan klaagster heeft gegeven. Ten aanzien van klachtonderdelen zes tot en met negen is het CvT niet gebleken dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld. Ten aanzien van klachtonderdeel tien overweegt het CvT dat het enkele feit dat sprake was van een te laat ingediend verweer door beklaagde niet leidt tot het oordeel dat beklaagde daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gelet op het voorgaande verklaart het CvT alle klachtonderdelen ongegrond.