Moeder verwijt medewerker GI onzorgvuldig te hebben gehandeld ten tijde van pleegzorgplaatsing. Klachtonderdelen deels gegrond, deels ongegrond.

Zaaknummer: 16.146T
Datum beslissing: 14 juli 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: Waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een zoon. Op 23 maart 2016 is de zoon in een pleeggezin geplaatst. De zoon is dan vijftien jaar. Beklaagde is werkzaam bij een gecertificeerde instelling (GI) en van 23 februari 2016 tot 21 juni 2016 in het drangkader de verantwoordelijke medewerker en contactpersoon voor klaagster en de zoon geweest. Naar aanleiding van een (geëscaleerd) gesprek op 12 april 2016 tussen beklaagde en klaagster, is beklaagde op 13 april 2016 in overleg getreden met een gedragswetenschapper van de GI. Dit overleg resulteert erin dat beklaagde aanleiding ziet om een Jeugdbeschermingstafel voor de zoon te beleggen. Ter voorbereiding van de Jeugdbeschermingstafel stelt beklaagde een conceptrapportage vanuit de GI op, welke op 29 april 2016 door beklaagde naar de Raad voor de Kinderbescherming en klaagster is verstuurd.

Klacht

Klaagster verwijt beknopt samengevat beklaagde dat

  1. zij onzorgvuldig heeft gehandeld door op 10 maart 2016 tijdens een huisbezoek contant geld aan klaagster te vragen voor de reiskosten van de zoon zonder klaagster hiervoor een kwitantie of andere vormen van bewijs te geven.
  2. zij nalatig is geweest in het informeren van klaagster over de stand van zaken betreffende de hulpverlening van de zoon.
  3. beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door aan te sturen op beperking van het contact tussen klaagster en de zoon in plaats van contact te stimuleren.
  4. zij onzorgvuldig heeft gehandeld door klaagster geen inzage te geven in, en instemming te vragen over de conceptrapportage, zodat in de definitieve rapportage op geen enkele manier de visie van moeder was terug te vinden.
  5. zij onzorgvuldig heeft gehandeld door, ten tijde van de pleegzorgplaatsing, klaagster geen kennis te laten maken met het pleeggezin en het adres zonder redenen geheim te houden.

Beslissing

Zowel klaagster als beklaagde hebben ter zitting (h)erkend dat zij elkaar op het gebied van communicatie niet hebben kunnen vinden. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel stelt het College van Toezicht (CvT) vast dat klaagster tijdens het huisbezoek van 10 maart 2016 geen geld aan beklaagde heeft gegeven, omdat zij niet over de financiële middelen beschikte. Nu het klachtonderdeel slechts ziet op het huisbezoek van 10 maart 2016, wordt het klachtonderdeel ongegrond verklaard. Het CvT merkt ten overvloede op dat bij het overhandigen van contanten het de aanbeveling verdient een kwitantie aan de betrokkene(n) te verstrekken. Ten aanzien van klachtonderdeel twee stelt het CvT vast dat beklaagde tot 10 maart 2016 niet over het e-mailadres van klaagster beschikte. Het CvT oordeelt dat beklaagde op andere wijze contact had kunnen zoeken met klaagster. Ten aanzien van klachtonderdeel drie overweegt het CvT dat een vaststelling van de feiten ontbreekt en het CvT derhalve geen oordeel kan geven over het klachtonderdeel. Ten aanzien van klachtonderdeel vier oordeelt het CvT dat beklaagde klaagster de gelegenheid had moeten bieden een reactie op de opgestelde conceptrapportage te geven. Ten aanzien van klachtonderdeel vijf oordeelt het CvT dat beklaagde de informatie, betreffende de pleegzorgplaatsing van de zoon reeds ten tijde van de plaatsing van de zoon in het pleeggezin, met klaagster had moeten delen. Van een geheime plaatsing in het drangkader kan volgens het CvT, mede gelet op de leeftijd van de zoon, geen sprake zijn. Juist de vrijwilligheid van het drangkader maakt dat de instemming van de gezaghebbende ouder over de hulpverlening (voor de zoon) noodzakelijk is. Het CvT verklaart klachtonderdelen één en drie ongegrond en de overige klachtonderdelen gegrond. In verband met de gegrondverklaring legt het CvT de maatregel van waarschuwing op aan beklaagde. Het CvT heeft hierbij in overweging genomen dat beklaagde ten aanzien van klachtonderdeel vier ter zitting blijk heeft gegeven van zelfreflectie, beklaagde slechts een korte periode betrokken is geweest bij klaagster en dat de schending van de Beroepscode met name ziet op de communicatie tussen beklaagde en klaagster.