Niet ontvankelijk ten aanzien van een klacht over de jeugdbeschermers in het algemeen. De individuele pleegzorgbegeleidster heeft conform de professionele standaard gehandeld maar had duidelijker kunnen zijn over haar bevoegdheden; zij nam taken over, waar de gezinsvoogd die liet liggen. Het College legt geen maatregel op.

Zaaknummer: 17.003T
Datum beslissing: 10 augustus 2017
Oordeel: deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van een dochter. De ouders zijn gescheiden, hebben samen het gezag, maar kunnen om verschillende redenen niet voor de dochter zorgen. In 2005 is een ondertoezichtstelling uitgesproken en later dat jaar is de dochter uit huis geplaatst en ondergebracht bij grootmoeder van vaderszijde. Nadat grootmoeder plots overleed, is de dochter tijdelijk ondergebracht bij een nicht van vaderszijde en daarna geplaatst in verschillende bestandspleeggezinnen. Beklaagde is de pleegzorgbegeleidster.

Klacht

Klager verwijt de jeugdbeschermers dat de ondertoezichtstelling nimmer ter discussie is gesteld. Voorts verwijt klager beklaagde dat de biologische oudercontacten verwaarloosd zijn, doordat de pleegouders niet aan hun verplichtingen jegens de biologische ouders zijn gehouden. Beklaagde heeft niets gedaan om de omgang tussen de ouders en de dochter te verbeteren, waardoor er sprake is van oudervervreemding en beklaagde heeft de dochter na de dood van grootmoeder eerst bij een niet gescreende pleegouder (de nicht) geplaatst, en daarna in een beginnend, niet capabel pleeggezin ondergebracht. Tot slot heeft klager als gevolg van oudervervreemding zijn dochter al geruime tijd niet meer gezien.

Beslissing

Het College merkt op dat een tuchtklacht altijd betrekking dient te hebben op individueel handelen van een specifieke jeugdprofessional en niet op jeugdbeschermers in het algemeen. Klager is in dit klachtonderdeel derhalve niet-ontvankelijk. In de klacht staat geen motivering dat beklaagde onvoldoende gedaan zou hebben om pleegouders aan hun verplichtingen jegens de biologische ouders te houden. Beklaagde heeft onweersproken verklaard klager verschillende keren uitgenodigd te hebben voor gesprekken, waarbij klager het steeds liet afweten. Ook voor het klachtonderdeel over de oudervervreemding zijn geen voorbeelden aangedragen. Beklaagde heeft op talrijke momenten getracht met klager in contact te komen. Ten aanzien van de plaatsing van de dochter bij de nicht van klaagster merkt het College op dat er sprake was van een vacuĆ¼m na de dood van grootmoeder en dat klager zelf met deze plaatsing heeft ingestemd. De plaatsing in een niet capabel, beginnend pleeggezin is beklaagde niet te verwijten nu de gezinsvoogd beslist over de plaatsing. Dat beklaagde het pleeggezin niet goed zou begeleiden, is niet met voorbeelden onderbouwd terwijl beklaagde voldoende heeft aangetoond dat zij frequent contact onderhield met de pleegouders. Ook de klacht dat klager als gevolg van oudervervreemding zijn dochter al lange tijd niet heeft gezien, kan beklaagde niet verweten worden. Aan het College zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die deze stelling van klager kunnen onderbouwen. Terugkijkend heeft beklaagde nog aangevoerd dat zij in de toekomst duidelijker zal zijn over haar bevoegdheden en dat zij minder snel taken van de gezinsvoogd zal overnemen. Naast de niet-ontvankelijkheid worden de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard.