(Pleeg)moeder dient beroep in (onder andere) omdat zij van mening is dat het College van Toezicht oordelen niet heeft onderbouwd en te kort door de bocht is gegaan in het eindoordeel. Het College van Beroep handhaaft de beslissing van het College van Toezicht, waarin alle klachtonderdelen ongegrond waren verklaard.

Zaaknummer: 17.021B (16.133T)
Datum beslissing: 17 januari 2018
Oordeel: beroep ongegrond, beslissing College van Toezicht blijft in stand
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 16.133T

Pleegmoeder, klaagster in eerste aanleg, heeft tegen vier ongegrond verklaarde klachtonderdelen beroep ingesteld. De jeugdprofessional was bij het pleeggezin betrokken als gezinsvoogd. In beroep stelt pleegmoeder zich met betrekking tot de klachtonderdelen I, II en IV op het standpunt dat het College van Toezicht de oordelen niet heeft onderbouwd en te kort door de bocht was in het eindoordeel. Het College van Beroep heeft deze klachtonderdelen opnieuw beoordeeld en heeft deze, in navolging van het oordeel van het College van Toezicht, ongegrond verklaard.

Met betrekking tot klachtonderdeel III, waarin pleegmoeder stelt dat de gezinsvoogd niet heeft gehandeld in het belang van de kinderen, is er in beroep een transcriptie toegevoegd van een gesprek tussen de gezinsvoogd en één van de pleegkinderen waaruit het gestelde zou blijken. Bij de mondelinge behandeling van het beroep wilde pleegmoeder de bijbehorende geluidsopname afspelen. Het College van Beroep heeft dit niet toegestaan, om reden dat voor het indienen van geluidsopnames een procedure bestaat die met waarborgen is omkleed, namelijk art. 8.11 van het Tuchtreglement. Nu deze procedure niet is gevolgd heeft het College van Beroep geoordeeld dat er te weinig waarborgen zijn om toe te staan de geluidsopnames alsnog ter zitting af te luisteren.

Het College van Beroep heeft daarnaast het transcript van het gesprek wat tussen verweerster en het pleegkind heeft plaatsgevonden niet meegenomen in de oordeelsvorming, nu dat gesprek later heeft plaatsgevonden dan de periode waarover het College van Beroep moest oordelen. Concluderend overweegt het College van Beroep met betrekking tot klachtonderdeel III dat een gezinsvoogd wel het belang van de kinderen in het oog moet houden, maar dat niet onder alle omstandigheden verwacht mag worden dat een gezinsvoogd naast de pleegzorgwerker een vertrouwensband opbouwt met de onder toezicht staande (pleeg)kinderen. In zoverre volgt het College van Beroep het oordeel van het College van Toezicht. Verder oordeelt het College van Beroep, dat niet althans onvoldoende is gebleken, dat verweerster als gezinsvoogd de belangen van de (pleeg)kinderen niet zou hebben behartigd.

Het College van Beroep handhaaft de beslissing van het College van Toezicht, waarbij de klacht in al haar onderdelen ongegrond werd verklaard, zij het met aanvulling en verbetering van de gronden.