Pleegmoeder klaagt over handelen van jeugdbeschermer. Het College heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

Zaaknummer: 16.133T
Datum beslissing: 23 mei 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. Zie voor de beslissing van het College van Beroep: zaaknummer 17.021B

Pleegmoeder klaagt over het handelen van de jeugdbeschermer die als voogd bij haar beide  pleegdochters is betrokken. De instelling waar de voogd werkzaam is heeft in 2016 vervangende toestemming aan de rechtbank gevraagd om de hoofdverblijfplaats van de pleegdochters te kunnen wijzigen. Pleegmoeder heeft hiertegen verweer gevoerd. De vervangende toestemming is door de rechtbank verleend waarna de pleegdochters naar een crisisplek zijn gegaan.

Klacht

Klaagster verwijt beklaagde  – kort weergeven – het volgende. Ten eerste heeft beklaagde jarenlang stelselmatig de zorgsignalen over een van de pleegdochters van klaagster genegeerd. Ten tweede heeft beklaagde onderzoeksrapporten van een GGZinstelling misbruikt om de uithuisplaatsing van beide pleegdochters te realiseren, in plaats van hen te helpen. Ten derde heeft beklaagde niet in het belang van de kinderen gehandeld en heeft zij geen vertrouwensband met hen. Ten vierde heeft beklaagde de signalen en klachten van ex-pleegvader over klaagster jarenlang genegeerd. Ten vijfde heeft beklaagde zowel in de stukken die naar de rechtbank zijn uitgegaan als in het laatste voogdijverslag aangegeven dat er bij klaagster sprake is van een onveilige situatie. Ten zesde is beklaagde niet eerlijk geweest in de communicatie over de crisisplek. Tot slot heeft beklaagde de wens van een van de pleegdochters om haar biologische moeder te ontmoeten, genegeerd.

Beslissing

Het College verklaart alle klachtonderdelen ongegrond. Het College is van oordeel dat er is gebleken dat beklaagde de zorgsignalen over een van de pleegdochters niet heeft genegeerd. Zij heeft juist geprobeerd om iets aan de zorgen te doen en deze bespreekbaar te maken. Pas na dat er binnen de organisatie een wijziging van teamhoofd had plaatsgevonden, heeft beklaagde daadwerkelijk iets met deze zorgsignalen kunnen doen. Beklaagde heeft tijdens de zitting, ter onderbouwing van het standpunt dat er geen sprake was van een vertrouwensband, een tweetal door de pleegkinderen geschreven brieven aan het College overlegd. Uit het verhandelde ter zitting en het dossier kan niet worden gesteld dat geen sprake was van een vertrouwensband noch dat de pleegkinderen bang voor beklaagde waren. Ook met betrekking tot de overige klachtonderdelen heeft het College geen aanleiding gezien deze gegrond te verklaren. Hoewel een gedeelte van het optreden van beklaagde is gelegen vóór haar inschrijving bij SKJ stelt het College vast dat de minder veilige situatie van de pleegdochters bij klaagster eerder door haar had kunnen worden weggenomen. Het College is op grond van het voornoemde van oordeel dat het optreden van beklaagde beter had gekund, maar dat zij tijdens haar beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.