Tijdens de UHP van de dochter heeft de jeugdprofessional beroepsmatig juist gehandeld

Zaaknummer: 16.084Tc
Datum beslissing: 13 april 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager en ex-partner zijn sinds 2010 in een complexe scheiding. Sinds oktober 2012 is JB[…] betrokken na een melding van huiselijk geweld van klager richting zijn ex-partner in het bijzijn van de dochter. In augustus 2014 is het kind onder toezicht gesteld waarna JB[…] belast is met de uitvoering daarvan. In januari 2015 is deze uitvoering overgedragen aan het LET-JB. In mei 2015 is vader in voorlopige hechtenis genomen waarna op 9 mei 2015 een machtiging tot uithuisplaatsing (uhp) van het kind is verleend. Deze machtiging is voor één jaar uitgesproken en daarna verlengd. Beklaagde is betrokken geweest van januari 2015 tot juli 2016 met betrekking tot zorg vanuit het LET-JB.

Klacht

Ten eerste verwijt klager beklaagde niet in het belang van dochter heeft gehandeld en heeft voorts verzuimd te onderzoeken of verblijf bij familie mogelijk was. Ten tweede wordt beklaagde verweten dat zijn dochter groep acht niet heeft kunnen afmaken op haar vertrouwde school onder andere omdat zij niet is ondergebracht bij familie. Ten derde heeft beklaagde nagelaten de familie van klager in te lichten over zijn detentie c.q. aanhouding en tevens over de UHP van de dochter. Ten vierde zou beklaagde tegen de oma van zijn dochter gezegd hebben dat zij haar kleindochter nooit meer zou zien. Ten vijfde heeft beklaagde volgens klager betreffende de machtiging tot uhp voor een verkeerde aanpak gekozen. Ten zesde verwijt klager beklaagde dat zijn dochter onderwijs op vmbo-kader niveau heeft gekregen in plaats van vmbo-tl of havo niveau. Ten zevende heeft beklaagde  onvoldoende contact onderhouden met de dochter. Ten achtste heeft beklaagde niet overeenkomstig de beschikking van augustus 2014 gehandeld. Tot slot is beklaagde vooringenomen geweest en is enkel uitgegaan van de verhalen van moeder.

Beslissing

Het College heeft geoordeeld dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. Betreffende het eerste klachtonderdeel oordeelt het College dat beklaagde voldoet aan de criteria die gesteld worden aan een jeugdprofessional. Het eerste deel van klachtonderdeel twee is onvoldoende onderbouwt. Het tweede deel van dit klachtonderdeel en het eerste deel van klachtonderdeel drie worden in samenhang met het zesde klachtonderdeel behandeld. Het tweede gedeelte van klachtonderdeel drie oordeelt het College wederom dat beklaagde voldoet aan de criteria die gesteld worden aan een jeugdprofessional. Het vierde klachtonderdeel wordt niet als de taak van beklaagde gezien, maar is het de taak van de reclassering om de familie te informeren over de arrestatie van klager. Klachtonderdeel vijf is onvoldoende onderbouwd. Het zesde klachtonderdeel wordt samen met de andere twee eerder genoemde klachtonderdelen besproken. Beklaagde heeft hierin volgens het College een zeer zorgvuldige afweging gemaakt en bij alle te maken keuzes het belang van het kind voorop gesteld. Klachtonderdeel zeven kan beklaagde volgens het College geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt nu de handelswijze voldoende en zorgvuldig is geweest. Tot slot zijn klachtonderdeel 8, 9 en 10 onvoldoende onderbouwd.