Vader gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep verklaart het beroepschrift ongegrond: de gezinsvoogd heeft correct gehandeld rondom het overdragen van haar werkzaamheden.

Zaaknummer: 17.025B (16.126T)
Datum beslissing: 29 maart 2018
Oordeel: beroep ongegrond (klachten ongegrond/niet-ontvankelijk)
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 16.126T.

Appellant is de biologische vader van een zoon. Beide ouders zijn ontheven uit het ouderlijk gezag. De zoon is onder toezicht gesteld en woont sinds 1 maart 2005 in een pleeggezin. Bij beschikking van de rechtbank is beslist dat appellant één keer per kwartaal door de GI schriftelijk op de hoogte wordt gebracht van de ontwikkeling van de zoon. Verweerster heeft namens de GI de voogdij over de zoon van appellant.

Het beroepschrift richt zich tegen klachtonderdelen I, III en IV, welke door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard, en klachtonderdeel II, waarin appellant niet-ontvankelijk is verklaard.

Klachtonderdeel I ziet op het volgende. Verweerster zou appellant niet tijdig hebben geïnformeerd dat zij zou stoppen als gezinsvoogd. Verweerster heeft echter aangetoond dat zij appellant heeft geïnformeerd over het feit dat zij voor langere tijd met verlof zou gaan. Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in het oordeel dat de klacht ongegrond is.

In klachtonderdeel II verwijt appellant verweerster dat zij niet voor vervanging gezorgd heeft tijdens haar verlof dan wel vanaf haar vertrek. Het College van Beroep overweegt dat er een contactpersoon was aangewezen bij de afwezigheid van verweerster. Verder was het de taak van de GI om vervanging voor verweerster te regelen, hetgeen volgt uit artikel 4.1.1 lid 2 van de Jeugdwet. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht, dat appellant niet-ontvankelijk is in deze klacht nu dit het handelen van de GI betreft. De grief faalt.

Klachtonderdeel III ziet op het gegeven dat verweerster nagelaten zou hebben de kwartaalrapportages op te sturen. Op grond van de contactjournaals concludeert het College van Beroep dat in ieder geval op 29 maart 2016 een kwartaalrapportage is verzonden aan appellant. Voor het overige is niet duidelijk geworden dat er door verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld is. Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in het oordeel dat de klacht ongegrond is.

Klachtonderdeel IV betreft de klacht dat verweerster geen nieuwe dossierinzage geregeld zou hebben. Volgens het College van Beroep kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden voor het niet regelen van de dossierinzage, omdat zij met verlof was, en later niet meer werkzaam bij de GI. Het College van Beroep volgt hierin het oordeel van het College van Toezicht, met dien verstande dat de conclusie van dit oordeel moet zijn dat appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard in de klacht, in plaats van dat de klacht ongegrond is. Nu deze klacht, net als klachtonderdeel II, gaat over het handelen, of het niet-handelen, van de GI, is appellant ook in deze klacht niet-ontvankelijk.