Vader gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep verklaart het beroepschrift ongegrond en volgt het College van Toezicht in het oordeel dat de jeugdzorgwerker zorgvuldig heeft gehandeld, onder andere rondom haar vertrek bij de GI.

Zaaknummer: 17.029Ba (16.137Ta)
Datum beslissing: 9 mei 2018
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 16.137Ta.

Appellant is vader van drie minderjarige kinderen. De kinderen wonen bij de ex-partner van appellant. Tussen appellant en de kinderen is een omgangsregeling vastgesteld.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 september 2011 de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd doch per 23 maart 2018 beëindigd. Verweerster was jeugdzorgwerker bij de GI en was van maart 2016 tot oktober 2016 betrokken bij de ondertoezichtstelling van de kinderen.

Het beroepschrift ziet op de klachtonderdelen I, II en III. Deze zijn door het College van Toezicht ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel I ziet op het verwijt van appellant jegens verweerster dat zij aan de kinderen van appellant verteld zou hebben aangifte gedaan te hebben tegen appellant. Verweerster ontkent dit. Het College van Beroep kan niet vaststellen of verweerster de door appellant gestelde mededeling heeft gedaan omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van appellant niet gegrond kan worden bevonden nu het College van Beroep de feiten niet kan vaststellen die ten grondslag liggen aan dit verwijt.  Het College van Beroep volgt daarom het College van Toezicht, dat het klachtonderdeel ongegrond heeft verklaard.

Klachtonderdeel II ziet op het volgende. Appellant verwijt verweerster de omgang tussen hemzelf en de kinderen te hebben gefrustreerd door niet aan te geven dat zij uit dienst was getreden bij de GI. Het College van Beroep stelt vast dat verweerster appellant wel op de hoogte heeft gesteld van haar uitdiensttreding. Voor het College van Beroep is niet duidelijk op welke manier verweerster met haar handelswijze de omgang gefrustreerd zou hebben. Ook deze grief faalt.

Klachtonderdeel III gaat over het verwijt van appellant jegens verweerster betreffende uitspraken die zij gedaan zou hebben die haar organisatie niet wilde en kon nakomen, waardoor zij de omgang tussen appellant en zijn kinderen gefrustreerd zou hebben.

Wegens omstandigheden kon de omgang niet direct worden opgestart door de opvolger van verweerster. Dit kan naar het oordeel van het College van Beroep niet met zich meebrengen dat verweerster een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt betreffen het maken van de afspraak rondom de omgang zelf. Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in het oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is, waardoor de grief faalt.