Vader verwijt gezinsvoogd dat hij niet heeft gehandeld volgens de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Klacht ongegrond.

Zaaknummer: 16.068T
Datum beslissing: 30 maart 2017
Oordeel: klacht ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft uit een inmiddels ontbonden huwelijk twee zonen, H. en Z. De kinderen staan sinds 23 april 2014 onder toezicht. Beklaagde is van 2 maart 2015 tot 28 september 2015 als gezinsvoogd van de kinderen opgetreden. In april 2015 heeft het R. een onderzoek aangevraagd ten aanzien van klager, moeder, H. en Z. Het doel van het onderzoek was duidelijkheid te verkrijgen overĀ  belemmerende factoren in de communicatie tussen klager en moeder, over het niet op gang komen van de omgang tussen klager en de kinderen, en om te bezien welke omgang in het belang van de kinderen was. Dit onderzoek heeft uiteindelijk geen doorgang gevonden. Op 21 mei 2015 was een gesprek gepland tussen klager, moeder en beklaagde. Klager heeft deze afspraak afgezegd wegens gezondheidsredenen. Klager heeft een afspraak op 9 juni 2015 wederom afgezegd wegens gezondheidsredenen. Op 24 juni 2015 heeft beklaagde moeder gemaild met het advies om aangifte te doen van smaad, laster en persoonlijke beschadiging van Z. en H. Beklaagde heeft tevens voorgesteld om in een gesprek met de kinderen hen de mogelijkheid te bieden om aangifte te doen tegen klager.

Klacht

Ten eerste verwijt klager beklaagde dat hij de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (de Beroepscode) heeft geschonden. Ten tweede verwijt klager beklaagde dat hij hem buiten spel heeft gezet door zich vooral op moeder te richten. Ten derde verwijt klager beklaagde dat hij niet respectvol met klager is omgegaan door het beleid van de gecertificeerde instelling (GI) voort te zetten. Klager heeft hierdoor slechts een uur per maand omgang met de kinderen gehad. Daarnaast heeft beklaagde H. geadviseerd om aangifte te doen tegen klager en beklaagde is daartoe met H. en met Z. naar het politiebureau gegaan. Ten vierde klaagt klager dat beklaagde relevante medische informatie voor klager heeft achter gehouden. Ten vijfde verwijt klager beklaagde dat hij bewust onjuiste informatie over de kinderen heeft verstrekt. Ten zesde verwijt klager beklaagde dat hij de kinderen heeft aangezet tot het doen van aangifte tegen klager. Tot slot verwijt klager beklaagde dat hij zonder geldige reden een voor het gezinssysteem belangrijk gedragskundig onderzoek heeft geannuleerd.

Beslissing

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel overweegt het College van Toezicht (CvT) dat het geen zelfstandige betekenis heeft. Het CvT heeft besloten om het eerste klachtonderdeel in samenhang met de klachtonderdelen twee tot en met zeven te behandelen. Ten aanzien van klachtonderdeel twee oordeelt het CvT dat beklaagde zich in redelijkheid heeft ingespannen om in gesprek te treden met klager, maar klager de geplande gesprekken heeft afgezegd. Het CvT heeft klachtonderdelen drie en zes tezamen behandeld. Het CvT heeft vastgesteld dat klager aan beklaagde de mogelijkheid heeft ontnomen om het gevoerde beleid nader uit te leggen en te bespreken door geen gebruikt te maken van de herhaalde uitnodigingen van beklaagde om een gesprek over de kinderen te voeren. Voorts heeft het CvT vastgesteld dat beklaagde zijn voornemen om H. te adviseren om aangifte te doen in een multidisciplinair overleg heeft besproken. Het CvT overweegt dat beklaagde, onder de omstandigheden van dit geval, in redelijkheid kon besluiten dat hij de kinderen tot hun recht liet komen door hen te adviseren aangifte te doen. Het is het CvT niet gebleken dat beklaagde H. en Z. naar het politiebureau heeft begeleid. Klachtonderdelen vier en vijf zijn door het CvT ook tezamen behandeld. Ten aanzien van deze klachtonderdelen oordeelt het CvT dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld door in een e-mail aan klager gemotiveerd uiteen te zetten, onder verwijzing naar omstandigheden en naar gronden, waarom klager geen nadere informatie heeft gekregen over de inhoud van de gesprekken die beklaagde heeft gevoerd met de kinderen. Ten aanzien van klachtonderdeel zeven stelt het CvT vast dat het R. onder meer heeft besloten om af te zien van het verzochte onderzoek, omdat de verwachting was dat de uitkomsten van het onderzoek niet tot een andere opstelling van klager zouden leiden. Het CvT oordeelt dat beklaagde in deze situatie op zorgvuldige wijze heeft bijgedragen aan het besluit om het gedragskundig onderzoek niet te laten uitvoeren. Gelet op het voorgaande verklaart het CvT alle klachtonderdelen ongegrond.