Verhouding LET-JB en opdracht gevende GI. Klacht over beklaagde die als voormalig gezinsvoogd van de jeugdige na overdracht van de ondertoezichtstelling aan het LET-JB als (administratief) verantwoordelijke professional namens de opdracht gevende GI fungeert.

Zaaknummer: 17.061T
Datum beslissing: 2 november 2017
Oordeel: klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde was gezinsvoogd van de jeugdige tot overdracht van de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan het LET-JB. De zaak blijft “op naam” staan van de opdracht gevende GI. Klaagster verwijt beklaagde dat zij haar kind heeft uitgeschreven bij zijn ziektekostenverzekeraar en huisarts alsmede dat door haar toedoen zijn medisch dossier is overgegaan naar de nieuwe huisarts.

Het CvT overweegt dat door de GI voor de in een geheim pleeggezin geplaatste jeugdige een nieuwe zorgverzekering is afgesloten om te voorkomen dat zijn verblijfplaats bekend zou worden. Ten aanzien van de verhouding tussen de GI en het LET-JB is van belang dat het LET-JB de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI uitvoert. Ten tijde van het verrichten van de handelingen die beklaagde worden verweten, stond de ondertoezichtstelling bij de GI administratief op naam van beklaagde en was beklaagde namens de GI de administratief verantwoordelijke professional. Het LET-JB voerde de ondertoezichtstelling uit zonder afstemming met beklaagde en de GI. Het CvT is van oordeel dat klaagster ten onrechte niet door of namens de GI om toestemming is gevraagd dan wel geïnformeerd is over het afsluiten van een andere zorgverzekering. Beklaagde stond weliswaar administratief nog gekoppeld aan de jeugdige als gezinsvoogd maar het voorgaande kan beklaagde niet tuchtrechtelijk worden verweten. Beklaagde heeft immers gereflecteerd op haar handelen en binnen de GI dit punt ook aan de orde gesteld. Ook heeft klaagster al van haar contactpersoon bij het LET-JB de erkenning heeft gekregen dat ter zake niet juist is gehandeld.

Aannemelijk is dat een verhuizing in het kader van een uithuisplaatsing in een geheim pleeggezin ook een wisseling van huisarts inhoudt. Gebleken is dat het de pleegzorgorganisatie is die de pleegouders hierin begeleidt, dat de huisartsen onderling zorgdragen voor de goede overdracht en dat de gezinsvoogd hierin geen rol heeft. Waar het gaat om de afstemming en de communicatie met de ouders ligt er echter wel een taak voor de gezinsvoogd. Klaagster is ten onrechte niet om toestemming gevraagd dan wel geïnformeerd over de wisseling van de huisarts en de overgang van het medisch dossier. Ook hier geldt dat beklaagde vanwege de constructie tussen de GI en het LET-JB weliswaar administratief gekoppeld stond aan de jeugdige, maar dat haar hiervoor onder de gegeven omstandigheden in tuchtrechtelijke zin geen verwijt kan worden gemaakt. Dat beklaagde erkend heeft dat zij wel had moeten afstemmen, geeft blijk van een juiste professionele opstelling, maar maakt het oordeel van het College niet anders. De klachtonderdelen zijn dus ongegrond.

Het CvT overweegt ten overvloede dat binnen een GI de werktoedeling zodanig moet zijn dat een professional die een casus toebedeeld krijgt hiervoor ook daadwerkelijk de (eind)verantwoordelijkheid voor moet kunnen dragen.