Verwachtingen klager door gezinsvoogd onvoldoende gemanaged, maar blijft binnen grenzen van behoorlijke beroepsuitoefening

Zaaknummer: 15.010B (15.011T)
Datum beslissing: 7 juni 2016
Oordeel: alle klachten ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 15.011T

De gezinsvoogd en de moeder hadden bij het kennismakingsgesprek, dat voorafging aan de zitting bij de kinderrechter, een geheel verschillend verwachtingspatroon. Moeder hoopte bij benoeming nieuwe gezinsvoogd, dat er perspectief zou zijn voor terugkeer van de kinderen naar huis, de gecertificeerde instelling koerste echter af op gezagsbeëindiging, die ook door de kinderrechter is gehonoreerd.

De moeder beklaagt zich in hoger beroep over College van Toezicht dat stelt niet aan waarheidsvinding te doen. Zij vraagt zich af welke waarde dan aan het onderzoek van het College moet worden toegekend, als partijen lijnrecht tegenover elkaar staan. Het College van Beroep merkt in de eerste plaats op, dat het de zinsnede dat het College van Toezicht geen waarheidsvinding bedrijft minder gelukkig acht, omdat dit de suggestie kan wekken dat het College van Toezicht er niet op uit zou zijn om de waarheid te achterhalen. Terecht vermeldt het College in de volgende zin, dat indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven en dat dan de klacht ongegrond zal worden verklaard. Het College van Beroep voegt hieraan nog toe, dat bij bejegeningsklachten als de onderhavige vaak niet kan worden vastgesteld wat er zich precies heeft afgespeeld en wat er precies door partijen gezegd is. Dikwijls hebben partijen een heel verschillende belevenis van dezelfde gebeurtenis.

Het College is van oordeel dat partijen inderdaad steeds anders naar dezelfde zaak hebben gekeken. Daarbij zijn de omstandigheden verre van ideaal geweest. De moeder heeft lang zonder hulpverlening gezeten. Toen de gezinsvoogd eenmaal aan het gezin was toegevoegd, moest er snel gehandeld worden en stappen worden gezet. Daarbij zijn de verwachtingen van de moeder waarschijnlijk niet voldoende gemanaged. Ook de communicatie over het vermoeden van seksueel misbruik had misschien meer ingekleed kunnen worden. Dat is, zoals de gezinsvoogd zelf ook erkend heeft, een pijnpunt geweest voor de moeder. De gezinsvoogd is genoegzaam in staat geweest om op haar persoonlijk functioneren te reflecteren en lessen te trekken uit het verleden. Daarvan heeft zij blijk gegeven bij het College van Toezicht en ook in hoger beroep bij dit College.

Voor zover de gezinsvoogd in de communicatie naar de moeder enigermate is tekortgeschoten, gaat het er bij een tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om of dat handelen beter had gekund, maar of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard. Het College is zonder meer van oordeel dat de gezinsvoogd binnen die grenzen is gebleven.

Conclusie: klachten in beroep ongegrond.