Zowel de moeder als de gezinsvoogd gaan in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep oordeelt anders dan het College van Toezicht dat de professional door de zaak aan te nemen, niet is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Zaaknummer: 17.003B (16.082T)
Datum beslissing: 9 februari 2018
Oordeel: beroep deels gegrond: klachtonderdeel IV wordt alsnog ongegrond verklaard.
Maatregel: waarschuwing ingetrokken

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 16.082T

De eerste drie klachtonderdelen zijn door het College van Toezicht ongegrond verklaard, welk oordeel in beroep wordt bevestigd. Het vierde klachtonderdeel houdt in dat de gezinsvoogd tijdens haar vakantieperiode en aansluitend tot aan haar vertrek onvoldoende bereikbaar was en niet heeft gezorgd voor vervanging.  Het College van Toezicht verklaarde dit klachtonderdeel gegrond en legde een waarschuwing op.  De gezinsvoogd voerde aan dat zij niet de mogelijkheid had om een zaak te weigeren, die zij van haar leiding kreeg opgedragen. Het College van Toezicht kon zich voorstellen dat het voor de jeugdbeschermer als werknemer moeilijk is om zo’n zaak te weigeren, maar de jeugdbeschermer heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid. Het betrof immers een complexe zaak, waardoor de  gezinsvoogd de continuïteit van de hulpverlening aan moeder en kinderen niet kon waarborgen.  De jeugdbeschermer heeft hierdoor volgens het College van Toezicht niet gehandeld binnen de grenzen van een adequate beroepsuitoefening.  Zij had bij het uitdelen van de zaak direct met klem moeten aangeven, dat zij deze zaak niet kon oppakken, gelet op haar resterende korte dienstverband.

Anders dan het College van Toezicht acht het College van Beroep het aannemelijk dat de jeugdbeschermer nog niet had besloten per 1 juli 2016 uit dienst te treden, toen zij de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling op zich nam. Ook is het College van Beroep aannemelijk geworden, dat het niet vanaf het begin duidelijk was dat het om een moeilijke zaak ging. Weliswaar betrof het een voorlopige ondertoezichtstelling, waaruit blijkt dat er met het optreden van de gezinsvoogd niet gewacht kan worden, maar volgens de inschatting van de jeugdbeschermer kwam dit omdat er al langer geen contact was geweest tussen de vader en de kinderen. Op het eerste gezicht vond zij dit dan ook geen moeilijke zaak voor een ervaren jeugdbeschermer als zij was. De jeugdbeschermer heeft verklaard dat haar pas duidelijk werd dat het om een moeilijk dossier ging, na de gesprekken met de moeder en de vader en nadat zij het bericht kreeg dat de moeder geen toestemming gaf om het voorafgaande dossier aan de gecertificeerde instelling te sturen. Het College van Beroep oordeelt dat de jeugdbeschermer door de zaak aan te nemen niet getreden is buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening. Het College acht het incidenteel beroep dan ook gegrond, waardoor van het opleggen van een maatregel geen sprake kan zijn.