Beklaagde heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het niet verstrekken van een verzendbevestiging ten aanzien van een schriftelijke aanwijzing

Zaaknummer: 16.088T
Datum beslissing: 24 maart 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. Zie voor de beslissing van het College van Beroep: zaaknummer 17.012B

Klager en zijn ex-partner is de verstandhouding verstoord. Beklaagde is na het uitspreken van de OTS als gezinsvoogd betrokken geraakt bij het gezin. De OTS is uitgesproken onder andere omdat er knopen moesten worden doorgehakt waar het gaat om het maken van afspraken. Beklaagde heeft meerdere keren aan klager een schriftelijke aanwijzing gegeven ter uitvoering van de OTS. Ten aanzien van de eerste schriftelijke aanwijzing is het onduidelijk of deze klager heeft bereikt.

Klacht

Klager verwijt beklaagde misbruik te hebben gemaakt van haar macht. Zo mag klager indien hij belt slechts doorverbonden worden met beklaagde. Ten tweede heeft beklaagde niet gedaan aan waarheidsvinding. Ten derde heeft beklaagde niet gehandeld in het belang van de jeugdige. Ten vierde heeft beklaagde zich niet objectief en onpartijdig opgesteld in de samenwerking met klager. Ten vijfde heeft beklaagde onterecht in rapporten vermeld dat zij ‘geen zicht heeft op de situatie van klager’. Ten zesde is de sociale omgeving van de jeugdige niet onderzocht. Ten zevende heeft beklaagde niet met klager gecommuniceerd en nagelaten stukken aan te leveren. Tot slot heeft beklaagde gesteld dat zij per aangetekende post in juni 2016 een schriftelijke aanwijzing heeft verstuurd. Tevergeefs heeft klager om bewijsvoering gevraagd.

Beslissing

Het eerste klachtonderdeel kan beklaagde niet tuchtrechtelijk worden verweten nu het een beslissing van de GI is. Bij het tweede klachtonderdeel gaat het CvT mee met de redenering van beklaagde waarin zij aangeeft dat zij beoordeelt op basis van interacties tussen de ouders en de jeugdige met inzet van eigen middelen zoals huisbezoeken en gesprekken met betrokkenen. Bij het derde klachtonderdeel liggen de interpretatie van klager en het daadwerkelijke handelen van beklaagde niet op één lijn. Dit leidt er echter niet toe dat beklaagde niet in het belang van de jeugdige heeft gehandeld. Het vierde en vijfde klachtonderdeel behandelt het CvT gezamenlijk. De klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard, maar het CvT merkt op dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling weinig blijk heeft gegeven van inzicht in het belang van metacommunicatie. Het CvT geeft beklaagde in overweging om in intervisieverband de onderwerpen metacommunicatie en reflectie te bespreken. Bij het zesde klachtonderdeel heeft beklaagde voldoende duidelijk gemaakt dat zij zowel het netwerk van klager als die van moeder heeft ingezet. Het zevende klachtonderdeel wordt ten aanzien van de communicatie ongegrond verklaard. Ten aanzien van het verstrekken van stukken wordt de klacht gegrond verklaard. Naar het oordeel van het CvT kan van een jeugdprofessional verwacht worden dat de voor de werkrelatie noodzakelijke stukken (nogmaals) verstuurd worden indien hierom verzocht wordt. Tot slot is het CvT van oordeel dat ten aanzien van het achtste klachtonderdeel, te weten het niet overhandigen van het verzendbewijs van de schriftelijke aanwijzing na herhaalde verzoeken van klager, beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit is in strijd met artikel F van de Beroepscode (informatievoorziening over hulp- en dienstverlening).

Het CvT acht de maatregel van waarschuwing passend.