Klacht over een jeugdbeschermer, die druk heeft uitgeoefend om een omgangsregeling van de grond te krijgen, die zich negatief heeft uitgelaten over de advocaat van klaagster, die altijd wil winnen en geen oog heeft voor de belangen van de dochter.

Zaaknummer: 17.069T
Datum beslissing: 27 november 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft over de jeugdbeschermer drie klachtonderdelen ingediend. Beklaagde heeft de artikelen H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), O (beroepsuitoefening en samenwerking) en E (respect) van de beroepscode geschonden. Ten eerste heeft beklaagde klaagster in een gesprek in mei 2017 naar aanleiding een zorgmelding van de politie over de minderjarige,  geconfronteerd met het strafblad van haar vriend en klaagster gedwongen om haar hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling in te trekken. Ten tweede heeft beklaagde zich negatief uitgelaten over de advocaat van klaagster en probeert zo een vertrouwensbreuk te bewerkstellingen. Beklaagde zegt ook dat het haar altijd lukt om een omgangsregeling van de grond te krijgen. Het is echter niet aan klaagster te wijten dat er geen omgang van de grond is gekomen. Er spelen nog teveel trauma’s bij klaagster, waar beklaagde te lichtvaardig mee omgaat. Tot slot heeft beklaagde geen oog gehad voor de belangen van de minderjarige. Zij zal enorm teleurgesteld raken als vader niet kan waarborgen dat hij in staat is om de omgang met haar voor langere tijd aan te gaan.

1) Het College is van oordeel dat noch uit de stukken, noch uit hetgeen ter zitting is besproken, feiten of omstandigheden blijken die de stelling van klaagster dat zij onder druk is gezet, kunnen onderbouwen. Klaagster heeft zich kennelijk bedreigd gevoeld door het doel dat beklaagde met het gesprek beoogde te bereiken, en er zijn verschillen in beleving.

2) Over de negatieve uitlating van beklaagde over de advocaat van klaagster kan het College geen vragen stellen nu klaagster ter zitting niet aanwezig is. Aangezien de gemachtigde van klaagster zelf niet bij dat bewuste gesprek aanwezig was, kon ook hij dit ter zitting niet toelichten. De stelt het College vast dat uit het verweer van beklaagde en voornamelijk uit de e-mailwisseling in de maanden januari, februari en maart 2017 voldoende is gebleken dat beklaagde steeds in het belang van de minderjarige getracht heeft de samenwerking te zoeken, te de-escaleren en de omgang tot stand te brengen.

3) Het laatste klachtonderdeel over mogelijke teleurstelling bij de minderjarige is hypothetisch en door klaagster niet nader onderbouwd. Volgens het College heeft beklaagde gehandeld zoals het een zorgvuldig handelend jeugdzorgwerker betaamt. Tot slot is het College van oordeel dat beklaagde voldoende rekening heeft gehouden met klaagster en met de minderjarige en dat zij diverse handreikingen heeft gedaan.