Klacht over een jeugdbeschermer, die het familiegroepsplan heeft vertraagd waardoor de minderjarigen niet zijn teruggeplaatst en die er niet voor heeft gezorgd dat hulpverlening tot stand kwam. Voorts is er een zorgmelding gedaan zonder dat klaagster hier vooraf over is geïnformeerd.

Zaaknummer: 17.060T
Datum beslissing: 7 december 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft over de jeugdbeschermer drie klachtonderdelen ingediend. In het eerste klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde dat zij nieuwe voorwaarden heeft gesteld waardoor het familiegroepsplan nooit van de grond is gekomen. Ten tweede verwijt klaagster beklaagde dat er geen hulpverlening op gang is gekomen en dat de GI in augustus 2016 heeft besloten de minderjarigen niet terug te plaatsen bij klaagster. Dit staat haaks op de observaties van de betrokken hulpverleners, die stellen dat klaagster over voldoende pedagogische vaardigheden beschikt. In april 2017 heeft vader verzocht om wijziging hoofdverblijfplaats en eenhoofdig gezag. Dit vloeide volgens klaagster ook voort uit het besluit van de GI omtrent het perspectief van de minderjarigen. Ten derde klaagt klaagster erover dat zij in maart 2017 een brief heeft ontvangen van Veilig Thuis over een zorgmelding, gedaan door de huisarts. Van de huisarts heeft klaagster gehoord dat vader samen met beklaagde een afspraak heeft gemaakt om hun zorgen te uiten over de minderjarigen. De zorgen in de melding lijken gebaseerd op aannames.

1) Het College stelt ten aanzien van het eerste klachtonderdeel vast dat in het familiegroepsplan de omgang tussen klaagster en de minderjarigen besproken stond, en een eventuele terugplaatsing van de minderjarigen bij klaagster. In april, vlak na haar aantreden als gezinsvoogd, heeft beklaagde klaagster geïnformeerd dat de beslissing tot het nemen van een opvoedbesluit werd uitgesteld, omdat er op dat moment nog geen zicht was op de mogelijkheid van onbegeleide omgang met de minderjarigen en nog niet alle mogelijkheden tot verbetering/hulpverlening voor klaagster waren ingezet. Het College stelt voorts vast dat beklaagde in een brief van 8 juni 2016 aan klaagster de eerdere voorwaarden, gesteld aan het familiegroepsplan nog een keer heeft benoemd, en alleen de voorwaarden die betrekking hadden op de omgang verder heeft uitgewerkt. In het belang van de minderjarigen is de route aangepast, maar het is naar het oordeel van het College geenszins de intentie van beklaagde is geweest het familiegroepsplan op de achtergrond te laten raken.

2) Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel blijkt uit de bijgevoegde contactjournaals dat er wel hulpverlening op gang is gebracht door beklaagde. Beklaagde heeft een en ander zorgvuldig besproken in de methodische casuïstiek bespreking en zij is goed overwogen tot haar aandeel in het besluit gekomen. Vast staat voorts dat vader een kleine maand voor het opvoedbesluit werd genomen, heeft aangegeven wijziging verblijfplaats te gaan verzoeken. Dit heeft volgens het College daarom niet kunnen voortvloeien uit het besluit omtrent het perspectief van de minderjarigen.

3) Tot slot is uit de overgelegde contactjournaals gebleken dat een van de minderjarigen met haar stiefmoeder naar de huisarts is geweest. Dat bezoek is voor de huisarts aanleiding geweest een zorgmelding te doen. Beklaagde is daar niet verantwoordelijk voor. De huisarts had klaagster moeten informeren, aldus het College bij het derde klachtonderdeel. Het handelen van beklaagde is geen schending van de voor haar geldende professionele standaard. Er volgt geen maatregel.