Klacht over een jeugdprofessional die werkzaam is als trajectbegeleider in een gesloten jeugdzorginstelling. Het gaat om de handelswijze ten aanzien van klaagster en de minderjarige, en de ingezette koers.

Zaaknummer: 17.023Ta
Datum beslissing: 15 januari 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft over de trajectbegeleider van de gesloten jeugdzorginstelling, waar de minderjarige zes weken is verbleven, een aantal klachtonderdelen ingediend. Drie klachtonderdelen gaan over een timeout die de minderjarige moest ondergaan, nadat het daags na het proefverlof thuis niet goed ging. Klaagster meent dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de timeout, dat er ten onrechte een contactverbod was tussen haar en de minderjarige en dat de minderjarige geen goede zorg heeft ontvangen. Voorts vindt klaagster dat beklaagde zich gedurende het gehele traject nalatig heeft getoond, ten aanzien van gemaakte fouten de verwijtbaarheid heeft verlegd naar klaagster en de verantwoordelijkheid die hij droeg ondergeschikt heeft gemaakt aan zijn persoonlijke belangen, en aan die van de instelling.

De timeout is niet van minuut tot minuut besproken is, maar dat komt door de bijzondere omstandigheden; de minderjarige kwam na één dag proefverlof al weer terug in de instelling. Ook meent het College dat de beslissing dat klaagster en de minderjarige niet direct op dezelfde dag dat de minderjarige terug kwam, contact met elkaar mochten hebben, gedragen kan worden door de overweging dat er rust moest komen voor de minderjarige. Dat er onvoldoende oog was voor het welzijn van de minderjarige is het College niet gebleken. Voorts heeft klaagster niet met voorbeelden onderbouwd dat beklaagde gedurende het hele traject nalatig is geweest. Ook de laatste klacht van klaagster, dat toen er eenmaal fouten bleken beklaagde de verwijtbaarheid heeft verlegd naar klaagster, acht het College niet bewezen. Er was inderdaad sprake van een omissie over de plaatsing van de minderjarige op de dagbesteding; er bleek geen onderwijs geboden te worden, terwijl de minderjarige wel leerplichtig was. Echter toen dit bleek, heeft beklaagde dit onderkend en direct een groot overleg georganiseerd om te reflecteren op het handelen. In het laatste klachtonderdeel meldt klaagster dat beklaagde het belang van de minderjarige ondergeschikt heeft gemaakt aan zijn eigen belang en dat van zijn instelling. Ook dat is het College niet gebleken.

Het College heeft in haar beslissing overwogen dat er door de vele betrokkenen in deze casus hard is gewerkt aan het welzijn van de minderjarige. Er is langs elkaar heen gewerkt en er zijn zaken misgelopen en dat heeft de minderjarige zeker niet geholpen. Dat is echter niet toe te schrijven aan één specifieke jeugdprofessional.