Klacht over de handelswijze van de jeugdzorgwerker voor, tijdens en na de vaccinatie van de minderjarige. Het deel van de klacht dat gaat over het ontbreken van samenwerking tussen klaagster en beklaagde is gegrond. Artikel O (‘Beroepsuitoefening en samenwerking’) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden.

Zaaknummer: 18.010T
Datum beslissing: 9 augustus 2018
Oordeel: deel van de klacht gegrond, overige delen van de klacht ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster klaagt over de handelswijze van beklaagde voor, tijdens en na de vaccinatie van de minderjarige. Klaagster voelt zich als ouder met eenhoofdig gezag buitenspel gezet. Beklaagde heeft een agressieve houding aangenomen, waardoor klaagster zich niet respectvol behandeld heeft gevoeld. Beklaagde heeft geprobeerd zijn macht te laten gelden. Dit komt naar voren doordat hij de minderjarige ver van klaagster wilde houden. Beklaagde is hardhandig opgetreden en tot slot heeft hij niet met klaagster samengewerkt. Volgens klaagster zijn de artikelen D, E, H, K en O geschonden.

Op 5 september 2017 is klaagster per e-mail door de gezinsvoogd geïnformeerd dat de minderjarige op 6 september gevaccineerd zou worden en dat de gezinsvoogd die dag vervangen zou worden door beklaagde. Tevens stond in de e-mail vermeld dat ook pleegmoeder bij de vaccinatie aanwezig zou zijn; zij had de uitnodigingsbrief voor de vaccinatie bij zich. Zowel klaagster als beklaagde hebben ter zitting verklaard dat in de e-mail van 5 september gesproken wordt over een ‘begeleid contactmoment’ voor klaagster. Het is het College echter gebleken dat klaagster vooraf geen toestemmingsformulier heeft ondertekend voor de medische behandeling van de minderjarige en dat evenmin door de GI aan de rechter vervangende toestemming is gevraagd. Het College overweegt dan ook dat er geen sprake was van een begeleid contactmoment, maar dat klaagster als ouder met eenhoofdig gezag bij de vaccinatie aanwezig moest zijn. Beklaagde is één dag voor de vaccinatie door de gezinsvoogd gevraagd in te vallen en de minderjarige te begeleiden. De voorbereiding van de vaccinatie is gedaan door de gezinsvoogd en geheel buiten beklaagde omgegaan. Voor de dag van de vaccinatie heeft beklaagde kennelijk instructies gekregen om klaagster niet met haar zoon alleen te laten. Uit de verklaringen van klaagster en beklaagde heeft het College afgeleid dat beklaagde deze instructies zeer strikt heeft opgevolgd. Zoals het College hiervoor heeft opgemerkt, was klaagster noodzakelijkerwijs aanwezig tijdens de vaccinatie. Dit is tevoren kennelijk onvoldoende duidelijk geworden bij beklaagde. Ook tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beklaagde zich niet heeft gerealiseerd wat de positie van klaagster was. Naar het oordeel van het College had hij zich dit, bij het overnemen van de begeleiding, meer moeten realiseren. Het College kan zich dan ook voorstellen dat het onder deze omstandigheden beter was geweest wanneer beklaagde meer de samenwerking had gezocht met klaagster. Dit deel van de klacht dat gaat over de samenwerking tussen klaagster en beklaagde is gegrond. Gelet op de korte termijn waarbinnen beklaagde gevraagd is de zoon te begeleiden en het gegeven dat hij geen vaste gezinsvoogd is, acht het College een en ander verminderd verwijtbaar. Bovendien gaat het om een eenmalige misstap.

De stelling van klaagster dat beklaagde geen respect heeft getoond, een agressieve houding heeft aangenomen, zijn macht heeft laten gelden en hardhandig is optreden, heeft het College niet kunnen vaststellen.