Klacht tegen de gedragswetenschapper over het afnemen van een IQ-test bij een minderjarige en het verspreiden van deze test, zonder de toestemming van de moeder (klaagster)

Zaaknummer: 17.147T
Datum beslissing: 4 juni 2018
Oordeel: klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, moeder van een minderjarige dochter, heeft tegen de gedragswetenschapper, die de IQ-test bij haar dochter heeft afgenomen, drie klachtonderdelen ingediend. Ten eerste verwijt klaagster beklaagde dat zij zonder toestemming van klaagster een IQ-test bij haar dochter heeft afgenomen. Deze IQ-test heeft in haar dochters nadeel gewerkt en veel ellende veroorzaakt, zoals een (onterechte) machtiging tot uithuisplaatsing. In het tweede klachtonderdeel wordt beklaagde verweten dat het verslag van de IQ-test, zonder toestemming van klaagster, verspreid is onder derden. Beklaagde heeft het verslag namelijk opgeslagen op de zogenoemde S-schijf van het CJG, welke toegankelijk is voor alle gedragswetenschappers van het CJG. Voorts heeft beklaagde het verslag overhandigd aan de betrokken jeugdbeschermer van de dochter. Ten derde verwijt klaagster beklaagde dat zij tijdens de betrokkenheid van het CJG geen behandelplan voor de dochter heeft opgesteld.

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.Het College verklaart alle klachtonderdelen ongegrond. Deze samenvatting gaat in op de eerste twee klachtonderdelen. Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel, oordeelt het College dat beklaagde een professionele relatie met de dochter van klaagster is aangegaan en dat op grond van artikel 12 van de Beroepscode NVO hiervoor toestemming van de cliƫnt vereist is. Omdat de dochter ten tijde van het onderzoek echter tien jaar oud was, kon op grond van artikel 12 juncto artikel 5, derde lid, van de Beroepscode NVO worden volstaan met het verkrijgen van toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger van de dochter, te weten klaagster. Alhoewel klaagster stelt dat zij geen toestemming verleend heeft voor het afnemen van de IQ-test, treft het College in het dossier voldoende aanwijzingen aan om vast te kunnen stellen dat deze toestemming wel door klaagster is verleend. Voorts verwijt klaagster beklaagde in dit klachtonderdeel dat zij het verslag van de IQ-test negatief heeft opgesteld, teneinde een machtiging tot uithuisplaatsing te verkrijgen. Het College is het echter met beklaagde eens dat het gangbare praktijk is dat hetgeen door de onderzoeker wordt waargenomen tussen ouder(s) en kind, wordt opgenomen in het verslag. Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde, met de gekozen bewoording in het verslag, geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel, oordeelt het College dat beklaagde met de wijze van opslaan van het dossier gehandeld heeft conform artikel 31 van de Beroepscode NVO. Beklaagde heeft het verslag immers opgeslagen in een databank welke beveiligd is met een wachtwoord en slechts toegankelijk is voor collega-gedragswetenschappers. Voor wat betreft het delen van het verslag van de IQ-test met de betrokken jeugdbeschermer, alsmede het bespreken van de uitkomsten van de IQ-test met de dochter, is het College op grond van de stukken niet gebleken dat de vereiste toestemming van klaagster hiervoor zou ontbreken.

Voorts wijst het College partijen er ten overvloede op dat in het geval van een kinderbeschermingsmaatregel (artikel 7.3.11, lid 4 Jeugdwet en artikel 8, lid 5 van de Beroepscode NVO) ook zonder toestemming van de betrokkene(n) informatieverstrekking betreffende de onder toezicht gestelde minderjarige, diens wettelijk vertegenwoordiger of ouder plaats kan vinden, wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp.