Klacht tegen de (gezins)voogd. Geschonden voor wat betreft het sterk verminderde contact tussen de twee minderjarige kinderen (artikel A ‘jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen’ geschonden) en de verstoorde familieverhoudingen (artikel G ‘overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening’, A ‘jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen’ en D ‘bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’ geschonden).

Zaaknummer: 17.125T
Datum beslissing: 2 mei 2018
Oordeel: klachtonderdelen I en II ongegrond, klachtonderdelen III en IV gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. Zie voor de beslissing van het College van Beroep: zaaknummer 18.011B.

Klagers, tante en oom van twee minderjarige kinderen, hebben vier klachtonderdelen ingediend tegen de jeugdprofessional, over de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling en opvolgend de voogdijmaatregel. Klagers menen dat beklaagde door zijn handelen en nalaten de belangen van de kinderen schaadt. Een van de kinderen is woonachtig bij klagers, hiervan zijn klagers netwerkpleegouders, en een van de kinderen woont in een gezinshuis. Beklaagde wordt het volgende verweten. Beklaagde kiest consequent voor de belangen van de vader, niet voor de kinderen (I). Beklaagde staat veelvuldig en onbegeleid contact tussen de vader en een van de kinderen toe (II). Beklaagde staat toe en draagt eraan bij dat de vader het contact tussen de twee kinderen verhindert (III) en beklaagde verstoort de familieverhoudingen (IV).

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Klachtonderdelen III en IV verklaart het College gegrond. Voor wat betreft klachtonderdeel III acht het College het zeer kwalijk dat in de periode tussen september 2015 tot heden de contactmomenten tussen de kinderen zeer minimaal zijn geweest, ondanks de wensen hierover van de kinderen. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij mogelijke alternatieven onderzocht heeft dan wel dat hij zich voldoende ingespannen heeft om frequent contact tussen de kinderen op gang te laten komen, te waarborgen en te garanderen. Het College acht het sterk verminderde contact tussen de kinderen niet in het belang van hun ontwikkeling en welzijn (artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden). Ten aanzien van klachtonderdeel IV overweegt het College dat gebleken is dat in deze casus de familieverhouding complex liggen en dat de kinderen al geruime tijd in een andere opvoedsituatie verblijven en dat gebleken is dat zij beide belast zijn met individuele problematiek, hetgeen (mogelijk) een andere aanpak ten opzichte van de hulpverlening voor de kinderen met zich meebrengt. Beklaagde heeft zich naar het oordeel van het College echter onvoldoende ingespannen om tot een overleg te komen met klagers, als zijnde de opvoeders van een van de kinderen (artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden). Voorts heeft beklaagde onvoldoende erkenning gegeven voor wat betreft de (belangrijke) rol van klagers in het leven van het minderjarige kind dat niet woonachtig bij hen is en heeft hij klagers onvoldoende betrokken bij de hulpverlening voor dit kind, in tegenstelling tot hoe de vader betrokken is bij deze hulpverlening. Voornoemd handelen heeft naar het oordeel van het College eraan bijgedragen dat de onderlinge verhoudingen tussen klagers en de vader verder op scherp zijn gezet (artikel A en D van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker ook geschonden). Het College acht het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op te leggen.