Klacht tegen de raadsonderzoeker over het opvragen van vertrouwelijke informatie zonder toestemming van klaagster en het verdraaien van de waarheid in het raadsrapport teneinde de ondertoezichtstelling verleend te krijgen

Zaaknummer: 17.136Tc
Datum beslissing: 4 juni 2018
Oordeel: klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, moeder van een minderjarige dochter, heeft tegen de raadsonderzoeker die belast is geweest met de uitvoering van het raadsonderzoek, twee klachtonderdelen ingediend. Ten eerste wordt beklaagde verweten dat sprake is van schending van de privacy, omdat informatie is opgevraagd en opgenomen in het raadsrapport zonder toestemming van klaagster. In het tweede klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde dat zij de waarheid in het raadsrapport heeft verdraaid en dat zij dingen heeft verzonnen teneinde de ondertoezichtstelling van de dochter verleend te krijgen.

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College verklaart beide klachtonderdelen ongegrond. Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel, oordeelt het College dat klaagster (conform artikel 3.2.8 van het Kwaliteitskader van de Raad voor de Kinderbescherming) de toestemmingsverklaring heeft ondertekend, waarop vermeld staat dat onder meer de betreffende huisarts (de huisarts van de dochter, tevens huisarts van de vader) en de GGZ instantie benaderd zouden worden. Het College is van oordeel dat beklaagde, met het benaderen van voornoemde informanten en het verwerken van de door de informanten gegeven informatie, gehandeld heeft binnen de daarvoor geldende regels. Van een schending van een beroepsnorm is het College niet gebleken. Het College oordeelt over het tweede klachtonderdeel als volgt. De RvdK is op grond van artikel 3.3 van de Jeugdwet verplicht om in een raadsrapport de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dat klaagster meent dat de melding van het CJG van 17 maart 2016 onjuistheden bevat, maakt nog niet dat beklaagde deze melding onterecht in het raadsrapport heeft opgenomen. Naar het oordeel van het College is beklaagde immers, op grond van artikel 3.3 van het Kwaliteitskader van de Raad voor de Kinderbescherming, verplicht de aanleiding voor het onderzoek, en de door de melder of verzoeker ter beschikking gestelde informatie, op te nemen in het raadsrapport. Ook voor wat betreft de overige stellingnamen van klaagster in dit klachtonderdeel is het volgens het College voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde conform artikel 3.3 van de Jeugdwet heeft gehandeld.