Klacht tegen de voormalige jeugdbeschermer over zijn uitlatingen over klager tijdens het overdrachtsgesprek. Vier klachtonderdelen worden ongegrond verklaard en in het laatste klachtonderdeel wordt klager niet-ontvankelijk in het klachtonderdeel verklaard.

Zaaknummer: 18.026T
Datum beslissing: 25 juli 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III en IV ongegrond; klachtonderdeel V niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de voormalige jeugdbeschermer verschillende klachtonderdelen ingediend. Beklaagde wordt – in de kern samengevat – verweten dat hij tijdens het overdrachtsgesprek, waarbij onder meer het CJG aanwezig was, belastende uitlatingen over klager heeft gedaan. Klachtonderdeel I tot en met IV worden ongegrond verklaard en in klachtonderdeel V wordt klager niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen door klager in klachtonderdeel I en II gesteld wordt (dat hij onder valse voorwendselen uitgenodigd is voor het overdrachtsgesprek en dat beklaagde klager onterecht beschuldigd heeft van mishandeling en opgelopen trauma bij zijn kinderen), blijkt volgens het College niet uit de overgelegde stukken. In het derde klachtonderdeel wordt beklaagde verweten dat klager in zijn eer en naam is aangetast, omdat informatie over zijn strafrechtelijke veroordeling is verspreid. Het uitgangspunt is dat de informatie-uitwisseling plaatsvindt op basis van toestemming van de betrokkene(n), conform artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode. Het College is het met beklaagde eens dat hij ervan uit kon en mocht gaan dat klager voor het delen van deze informatie zijn toestemming had verleend, nu het detentieverleden van klager tijdens het hulpverleningstraject meermaals aan bod is gekomen en klager hierover steeds slechts aangegeven had dat hij de reden van zijn veroordeling (richting derden) niet kenbaar wilde maken. Beklaagde heeft hier tijdens het overdrachtsgesprek gehoor aan gegeven. Het College overweegt dat het handelen van beklaagde weliswaar beter had gekund door met klager voorafgaand aan het gesprek hierover af te stemmen, maar dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. In zijn vierde klacht verwijt klager beklaagde dat hij niet de intentie heeft gehad om klager met zijn kinderen te herenigen. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard, omdat uit de stukken voldoende valt af te leiden dat het handelen van beklaagde steeds gericht is geweest op het realiseren van contact tussen klager en zijn kinderen. Tot slot ziet het laatste klachtonderdeel op het verwijt dat de kinderen klager niet leren kennen, omdat contact tussen hen ontbreekt. Het College verklaart klager niet-ontvankelijk in de klacht, omdat een duidelijke omschrijving van de klacht en daarmee het verwijt richting beklaagde ontbreekt. Het klachtonderdeel betreft namelijk niet het individuele handelen of nalaten van beklaagde.