Klacht tegen jeugd- en gezinscoach, dat hij onprofessioneel heeft gehandeld door subjectieve informatie te delen met de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Op grond hiervan heeft de RvdK volgens klager advies opgesteld en heeft de rechtbank de omgang tussen klager en de kinderen beperkt. Twee klachtonderdelen zijn deels gegrond. Artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) van de Beroepscode is geschonden. Er is geen maatregel opgelegd.

Zaaknummer: 18.009T
Datum beslissing: 24 oktober 2018
Oordeel: klachtonderdelen I en II deels gegrond; klachtonderdeel III ongegrond; klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen IV en V
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van drie kinderen. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klager en de ex-partner van klager, de moeder. Het hoofdverblijf van de kinderen is bij de moeder. Beklaagde werkt als jeugd- en gezinscoach bij de instelling en heeft het gezin bijgestaan in het vrijwillige kader. Klager heeft vijf klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt alleen ingegaan op de relevante klachtonderdelen I, II, IV en V.

Klager verwijt beklaagde in het eerste en tweede klachtonderdeel dat hij naar de RvdK toe bewust een negatief beeld heeft geschetst van klager en een positief beeld van de moeder en dat hij meningen van de moeder als feiten heeft verkondigd. Het College vindt dat het eerste verslag dat beklaagde voor de RvdK heeft geschreven op bepaalde punten subjectief is geweest. Beklaagde heeft dat ook erkend en excuses aangeboden. Na een klachtgesprek binnen de instelling heeft beklaagde de verstrekte informatie aan de RvdK ingetrokken en heeft hij een herziene versie gestuurd. Ondanks dat beklaagde zijn handelswijze heeft gecorrigeerd, is het College van oordeel dat beklaagde door het schrijven en versturen van het eerste verslag met subjectieve informatie aan de RvdK tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Beklaagde had zich het belang van een objectieve verslaglegging vooraf moeten realiseren en heeft artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) van de Beroepscode geschonden. De stelling van klager dat beklaagde ‘bewust’ een negatief beeld van klager heeft willen schetsen, heeft het College niet kunnen vaststellen.

In het vierde klachtonderdeel verwijt klager de RvdK dat het herziene verslag van beklaagde niet in het raadsrapport is verwerkt. Klager maakt hier echter een verwijt aan de RvdK en niet aan beklaagde. Het College toetst alleen het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional en is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van een instelling te toetsen.

Tot slot verwijt klager beklaagde in het vijfde klachtonderdeel dat de RvdK de onjuiste informatie aan het gerechtshof gepresenteerd heeft als zijnde geconstateerde feiten. Net als bij het vierde klachtonderdeel is dit verwijt gericht aan de RvdK en niet aan beklaagde. Het College verklaart klager in beide klachtonderdelen niet-ontvankelijk.

Nu het eerste en tweede klachtonderdeel deels gegrond zijn verklaard, beklaagde zich heeft ingespannen om het nadeel te keren, heeft gereflecteerd op het eigen handelen en zijn excuses heeft aangeboden, legt het College geen maatregel op.