Klachten gegrond tegen de casemanager jeugd over de (informatie)verstrekking aangaande het dossier, de dossieropschoning en de wijze waarop het dossier is bijgehouden. Meerdere artikelen uit de Beroepscode geschonden.

Zaaknummer: 17.141Tb
Datum beslissing: 8 augustus 2018
Oordeel: klachtonderdeel I en VI ongegrond; klachtonderdeel II, III en IV gegrond; klachtonderdeel V klaagster niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, de moeder van twee kinderen, heeft tegen de casemanager jeugd zes klachtonderdelen ingediend. Ten tijde van de betrokkenheid van beklaagde hadden de kinderen de hoofdverblijfplaats bij klaagster. Klaagster neemt het beklaagde in de kern kwalijk dat zij samen met haar collega in de kerstvakantie de vader heeft geadviseerd om de jongste zoon (voor een langere periode) bij hem te laten wonen, terwijl klaagster hierin niet betrokken is. Klachtonderdeel I gaat over dit advies. De andere klachtonderdelen gaan over verschillende verwijten met betrekking tot het dossier en dat klaagster onheus bejegend is. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het College verklaart klachtonderdeel I ongegrond, omdat beklaagde ten tijde van het gegeven advies aan de vader door vakantie afwezig is geweest. Beklaagde heeft volgens het College voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voorafgaand aan de kerstvakantie niet had kunnen inschatten dat de incidenten, die zich hebben afgespeeld in de kerstvakantie, zouden plaatsvinden. Naar het oordeel van het College betreft de klacht dan ook niet het handelen of nalaten van beklaagde en is dit haar niet te verwijten.

Klachtonderdelen II, III en IV (die toezien op het dossier) verklaart het College gegrond. Met betrekking tot klachtonderdeel II wordt overwogen dat klaagster, op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet, het recht heeft tot inzage en afschrift van het dossier, waartoe contactjournaals onderdeel van uitmaken. Nu beklaagde de contactjournaals niet heeft toegezonden en klaagster daarover onvolledig is geïnformeerd, is het College van oordeel dat dit een schending oplevert van genoemde wettelijke bepaling en artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het verwijt in klachtonderdeel III betreft de privacy schending van klaagster, omdat aan de vader hetzelfde dossier is verstrekt. Het College overweegt op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet dat een ouder slechts recht heeft op de gegevens van de ouder zelf, en niet die van de andere ouder, naast dat de ouder recht heeft op de gegevens in het kader van de geboden hulpverlening aan de kinderen. Omdat is vastgesteld dat beklaagde de gegevens, die slechts over klaagster gaan, niet heeft verwijderd uit het dossier, acht het College dit nalaten in strijd met artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en een schending van artikelen J (vertrouwelijkheid) en M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode. Het College concludeert in klachtonderdeel IV dat beklaagde geen volledig dossier heeft bijgehouden conform de daarvoor gestelde wettelijke bepalingen van de Jeugdwet, hetgeen een schending oplevert van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

Voor wat betreft de op te leggen maatregel heeft het College oog voor de context van de instelling waarin beklaagde werkzaam is geweest. Ook is het reflecterend vermogen van beklaagde meegewogen. Het College acht passend en geboden de maatregel van waarschuwing op te leggen.