Een maatregel van berisping wordt opgelegd omdat de wijze van informatie verschaffen en de communicatie van beklaagde richting klagers onvoldoende is geweest. Beklaagde heeft de schijn van partijdigheid gewekt.

Zaaknummer: 16.032T
Datum beslissing: 21 juli 2016
Oordeel: deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. Zie voor de beslissing van het College van Beroep: zaaknummer 17.005B

Klacht

Klager(s) verwijt(en) beklaagde het volgende: beklaagde heeft klager(s) niet geïnformeerd over gesprekken die zij met moeder heeft gevoerd. Beklaagde heeft de wijzigingen in de bezoekregeling met de moeder en het verzoek tot uithuisplaatsing onvoldoende gecommuniceerd . Beklaagde is partijdig en handelt niet in het belang van de kinderen nu klager(s) niet betrokken zijn geweest bij de wijziging van de bezoekregeling met de moeder. Beklaagde heeft geen zicht op het welzijn van de kinderen. Zo is het verzoek tot uithuisplaatsing bijvoorbeeld gebaseerd op een (verouderd) document uit 2014. Beklaagde heeft de rechter onjuist/onvolledig geïnformeerd. Beklaagde heeft klager(s) onvoldoende gesteund door hen niet van advies te voorzien of hen hulp te bieden. Beklaagde heeft verweer gevoerd.

Beslissing

Het CvT overweegt dat beklaagde niet transparant heeft gehandeld door klager(s) onvoldoende te informeren over haar gesprekken met moeder. Beklaagde heeft ten opzichte van klager(s) in elk geval de schijn gewekt niet onpartijdig te zijn. Voor haar had duidelijk moeten zijn dat klager(s) en moeder moeizaam met elkaar communiceerden. In deze omstandigheden heeft zij aparte gesprekken met moeder gevoerd en een ander beeld van haar gekregen. Als gevolg hiervan is de bezoekregeling tussen moeder en de kinderen stapsgewijs uitgebreid. Beklaagde heeft nagelaten klager(s) hierover te informeren, terwijl een gewijzigde bezoekregeling gevolgen heeft voor de kinderen.

De communicatie over het verzoek tot uithuisplaatsing is niet voldoende geweest. Vast staat verder dat het verzoek tot uithuisplaatsing op 10 augustus 2015 is ingediend en dat klager(s) hierover op 20 augustus 2015 op de hoogte zijn gesteld. Niet gezegd kan worden dat beklaagde klager(s) onvoldoende heeft begeleid bij het proces van uithuisplaatsing nadat zij de machtiging tot uithuisplaatsing heeft aangevraagd.

Niet gebleken is dat beklaagde voldoende gereflecteerd heeft op de mogelijke consequenties van haar handelen. Dat had van haar als ervaren jeugdzorgwerker wel verwacht mogen worden. Het CvT acht de maatregel van berisping passend en geboden.