Psycholoog gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. College van Beroep oordeelt, anders dan het College van Toezicht, dat er niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld. De berisping wordt ingetrokken.

Zaaknummer: 17.024B (16.136T)
Datum beslissing: 12 april 2018
Oordeel: beroep gegrond, klachtonderdeel IV alsnog deels gegrond
Maatregel: berisping ingetrokken, geen maatregel opgelegd door College van Beroep

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer: 16.136T

De psycholoog, beklaagde in eerste aanleg, heeft tegen twee gegrond verklaarde klachtonderdelen (klachtonderdelen I en III) beroep ingesteld. Het eerste klachtonderdeel had betrekking op het feit dat de psycholoog zonder toestemming van de gezaghebbende ouders een behandelrelatie is aangegaan met een kind, dat op dat moment 15 jaar oud was. Het College van Beroep overweegt dat artikel 7:450 lid 2 BW bepaalt dat bij het aangaan van een behandelingsovereenkomst van een 12- tot 16-jarige in beginsel toestemming van beide ouders met gezag nodig is. Hiervan kan worden afgeweken wanneer sprake is van ernstig nadeel voor het kind, of wanneer het kind na weigering van de toestemming de behandeling weloverwogen blijft wensen. In tegenstelling tot wat het College van Toezicht hierover concludeert, stelt het College van Beroep vast dat van deze uitzonderingsgrond in deze zaak sprake is, waardoor de psycholoog de behandelingsovereenkomst met het kind op gerechtvaardigde gronden aan mocht gaan. Het College van Beroep stelt voorts vast dat de door appellante gehanteerde handelwijze strijdig is met artikel 7 van de Beroepscode voor Psychologen, nu de Beroepscode niet de uitzonderingen kent zoals die in artikel 7:450 lid 2 BW zijn opgenomen. Bij het afwijken van de Beroepscode moet een psycholoog zoveel mogelijk de overige bepalingen van de Beroepscode volgen (artikel 5 van de Beroepscode), en dient de psycholoog op grond van artikel 4 van de Beroepscode ofwel de beroepsvereniging te raadplegen ofwel een vakgenoot die niet rechtstreeks bij de professionele relatie is betrokken. In tegenstelling tot wat het College van Toezicht hierover heeft opgemerkt, stelt het College van Beroep vast dat de psycholoog wel degelijk met collega’s overleg heeft gevoerd voordat zij de behandelrelatie aanging, waardoor zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

In het derde klachtonderdeel oordeelde het College van Toezicht dat de psycholoog ten onrechte niet zelf de moeder had geïnformeerd met betrekking tot de behandeling, maar dit over had gelaten aan de gezinsvoogd. De psycholoog heeft bevestigd dat dit zo is gegaan, maar voert hiervoor als reden aan dat het communiceren met verweerder dermate moeizaam ging, dat zij de gezinsvoogd, welke wel contact met de verweerder kreeg, heeft gevraagd de informatie door te geven. Het College van Beroep oordeelt, in navolging van het College van Toezicht, dat klachtonderdeel III gegrond is, maar acht andere artikelen geschonden dan door het College van Toezicht wordt vastgesteld. De grief slaagt dus in die zin, dat de motivering van het oordeel wordt aangepast.

Het College van Beroep ziet in deze zaak af van het opleggen van een maatregel, omdat de psycholoog blijk heeft gegeven van reflectief vermogen en ook tijdens de mondelinge behandeling van het beroep nogmaals de gemaakte fout heeft erkend. Het is het College van Beroep ook duidelijk geworden dat de psycholoog de motivering voor de wijze waarop zij heeft gehandeld niet goed over heeft weten te brengen bij het College van Toezicht, wat haar bij het College van Beroep wel is gelukt.