Vader klaagt over onzorgvuldig handelen jeugdbeschermer. Het College verklaart alle klachtonderdelen gegrond en legt een maatregel van berisping op.

Zaaknummer: 16.123T
Datum beslissing: 13 april 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen gegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Vader klaagt over onzorgvuldig handelen van jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer is in het kader van een zogenoemd ‘drangtraject’ betrokken bij de vader, zijn kinderen en de moeder (met wie de vader niet meer samen is). Het College verklaart alle klachtonderdelen gegrond en legt een maatregel van berisping op.

Klacht

Klager verwijt beklaagde onzorgvuldig handelen. Ten eerste heeft beklaagde zich diverse malen niet aan de gemaakte afspraken gehouden, of is deze niet nagekomen. Ten tweede heeft beklaagde in het opgestelde gezinsplan en correspondentie diverse onwaarheden en onjuistheden vermeld en het gezinsplan zonder voorafgaand overleg met een van de kinderen besproken ondanks de gemaakte afspraken hierover. Ten derde heeft beklaagde het nagelaten om eerder op te schalen naar de jeugdbeschermingstafel. Ten vierde heeft hij afspraken, gemaakt tijdens een bemiddelingsgesprek, geschonden.

Beslissing

Het College verklaart alle klachtonderdelen gegrond. Het College is onder meer van oordeel dat klager zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de wijze waarop beklaagde het contact met klagers en de kinderen heeft onderhouden beneden de maat is geweest. Beklaagde heeft ter zitting aangegeven met de houding van klager geen raad te weten en dat dit bij hem passief gedrag heeft opgeroepen. Het College is van oordeel dat het de verantwoordelijkheid is van beklaagde om als professional met voldoende distantie om te gaan met gevoelens die verschillende persoonlijkheden kunnen oproepen bij de professional zelf. Indien de professional dit, om wat voor reden dan ook, niet in acht kan nemen dient deze hierover te reflecteren met beroepsgenoten en dit kenbaar te maken aan zijn leidinggevende. Een en ander vloeit voort uit artikel D en I van de beroepscode voor Jeugdzorgwerkers (hierna: beroepscode). Dat beklaagde dit niet heeft gedaan wordt hem door het College aangerekend. Daarnaast heeft beklaagde in strijd gehandeld met artikel G van de beroepscode nu hij het niet-gecorrigeerde gezinsplan heeft besproken met een van de kinderen, zonder dat klager hiervan op de hoogte was. Tot slot heeft beklaagde nogmaals tot tweemaal toe in strijd met artikel D van de beroepscode gehandeld. Ten eerste omdat het op de weg van beklaagde had gelegen om conform de gemaakte afspraken op te schalen naar de jeugdbeschermingstafel en hij dit heeft nagelaten en daarnaast omdat beklaagde gemaakte afspraken tijdens een bemiddelingsgesprek niet is nagekomen. Het College rekent dit beklaagde aan, te meer daar de afspraken zijn gemaakt in het kader van een bemiddelingsgesprek waarbij het vertrouwen dat voor een werkbare relatie tussen cliënt en jeugdbeschermer noodzakelijk is, reeds was geschonden en beklaagde door middel van de gemaakte afspraken een laatste kans kreeg om dit vertrouwen te herstellen. Duidelijk is dat er sprake is van een reeks van omissies door beklaagde. Nu beklaagde een deel van de verantwoordelijkheid voor zijn passieve handelen, naar het oordeel van het College ten onrechte, heeft geweten aan de opstelling van klager, acht het College een berisping op zijn plaats. Het College raadt beklaagde daarnaast aan, nu deze ter zitting weinig zelfvertrouwen heeft laten zien, in het kader van zijn professionele ontwikkeling een supervisietraject te volgen.